In mijn familie waart een hardnekkig verhaal rond. Het gaat over ene oom Alphons die in 1920 vader was geworden en dat uitbundig had gevierd. Te uitbundig. De volgende ochtend was hem bij de ambtenaar van de burgerlijke stand glad ontschoten dat hij zijn zoontje Laurentius wilde noemen. “Noem hem dan maar naar de heilige van gisteren”, zei de dienstdoende ambtenaar tegen mijn wankelmoedige oom. De man had haast omdat de kegel van Alphons niet te harden was en hij bovendien zijn koffiepauze in rook op zag gaan. Dat ‘gisteren’ was 23 februari. En zo deed de kleine Polycarpus zijn intrede in de familie. Ze zijn hem toen hij wat ouder werd Pol gaan noemen, dat was nog enigszins dragelijk.
Hond
Natuurlijk weten wij allemaal wie Polycarpus was. Er gaat geen dag voorbij of hij is wel even in onze gedachten geweest. Maar mocht dit onverhoopt niet zo zijn: de heilige Polycarpus (69-156), onderricht door niemand minder dan apostel Johannes, werd vanwege zijn geloof levend verbrand. Dat was althans de bedoeling, maar het vuur slaagde er wonder boven wonder niet in zijn lichaam te verteren. Daarom werd de arme man alsnog onthoofd. En wat later heilig verklaard.
Heiligverklaringen waren tot na de Middeleeuwen aan de orde van de dag. Hoeveel het er zijn geweest is niet bekend, maar het zijn er in ieder geval vele tienduizenden. Omdat onze verre voorouders en hun prelaten niet zo nauw keken – zelfs ordinaire bisschoppen mochten toen nog heiligverklaringen afgeven - zijn ook tal van obscure figuren gecanoniseerd, met als absoluut dieptepunt in de twaalfde eeuw de heiligverklaring van Guinefort van Bourgondië. Guinefort was een hond… Tegenwoordig gaat dit proces een stuk moeizamer, de regeltjes zijn aanzienlijk aangescherpt. Volgens het canoniek recht van nu zijn voor een heiligverklaring twee aantoonbare wonderen nodig. Een en ander wordt in Rome bewaakt door een handvol bureaucraten dat de godganse dag met veel passie aangedragen mirakelen onderuit zit te schoffelen. Tot ongenoegen van de gemiddelde Tilburger die terecht niet begrijpt waarom zijn Peerke nog steeds niet is heilig verklaard.
Bierpompen
Wij hebben er geen fiducie meer in, in dat onafzienbare legioen heiligen, Sint Nicolaas en enkele anderen uitgezonderd. We geloven het wel, we laten Allerheiligen maar al te graag aan ons voorbijgaan. Hooguit worden hier en daar nog Allerheiligenmarkten gehouden, zoals de markt in het Groningse Winschoten. Die trekt elk jaar met gemak honderdduizend bezoekers, aangetrokken door volstrekt wereldse zaken als een kermis, een jaarmarkt en een heleboel bierpompen. De geur van heiligheid heeft er plaatsgemaakt voor die van frites, bockworsten en hamburgers. Zelfs de overheid is in deze ontheiligende maalstroom meegezogen: in 1960 besloot ze, anders dan in de ons omringende landen, een streep te halen door de vrije dag op Allerheiligen. Ook dat nog.
Gelukkig hebben we nog het Eenheiligefeest. Op 5 december. Ik verheug me erop.
Gepubliceerd in Mooi Meegenomen, oktober 2012.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Krekwekdogt woont in 'de schôônste stad van et laand' volgens de autochtonen en een verzameling rampspoed volgens vrijwel ieder ander. Hij schrijft over Brabant, de toestand in de wereld, heden en verleden, dammen en schaken, politiek, literatuur, Willem II (koning, voetbalclub en de sigaren), het dorp Helvoirt waarin hij is opgegroeid en wat er zoal nog meer op zijn weg komt. En dat allemaal vanuit de schôônste stad van et laand, waar ze nog weten hoe het leven geleefd moet worden.
Posts tonen met het label Allerheiligen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Allerheiligen. Alle posts tonen
woensdag 14 november 2012
donderdag 9 september 2010
‘Besjònkele’
Het gaat hard in mijn familie en omgeving. De een na de ander verlaat dit ondermaanse. Tijdens al die uitvaartdiensten en koffietafels besef je steeds meer dat je, naarmate je ouder wordt, zelf ook almaar dichter in de buurt komt van het deel van het bos waar wordt gekapt. En dan ben je, op enig moment, zelf aan de beurt en ga je er vantussen in de hoop dat de achterblijvers af en toe nog eens aan je denken. Op 2 november, Allerzielen, ben ik daarom van de partij. Dan wil ik al die mensen die zomaar ineens uit mijn leven zijn weggetrokken niet teleurstellen. Ik ben ze niet vergeten.
De dag ervoor, op 1 november, herdenken katholieken hun heiligen, voor onze voorouders en ouders een plechtige aangelegenheid. Hun leven was doordrenkt van heiligen en hun voorspraak. Antonius van Padua werd bijvoorbeeld aangeroepen als men iets kwijt was, Sint Jozef voor een zalige dood en Moeder Maria voor al het menselijk leed. Honderden heiligen werden aanbeden. Nog altijd trouwens: zo viel onlangs te lezen dat ene Isidorus van Sevilla is uitgeroepen tot patroonheilige van het internet, omdat hij zo’n 1500 jaar geleden als een der eersten een encyclopedie heeft geschreven waarin vrijwel alle toenmalige kennis verzameld was.
Heiligen namen in het vaak armoedige en zware leven van alledag dus een vooraanstaande plaats in, maar aan de andere kant eigenlijk ook weer niet. Hun kostje was namelijk volgens het katholieke geloof van toen al lang en breed gekocht: zij zaten hoog en droog bij Onze Lieve Heer in de hemel. Zo verwoordden ze het natuurlijk niet, onze vaders, moeders en voorouders, maar zo dachten ze er stiekem wel over. Want ze wisten dat de zaken voor gewone stervelingen helemaal anders lagen: die hadden nog een allemachtig lange weg te gaan voordat zij zich bij Petrus mochten melden. Daarom was voor hen Allerzielen veel belangrijker.
Vagevuur
Allerzielen stond (en staat) dus in het teken van de overledenen. Daar kwam heel wat bij kijken. Enkele dagen tevoren al togen de gelovigen met emmers water, groene zeep, bezems, borstels, winterharde planten en bolchrysanten naar het kerkhof. Bij terugkomst werden pannenkoeken gebakken en bij een borrel herinneringen opgehaald.
Het echte werk werd echter bewaard voor de dag zelf. Allerzielen was namelijk bij uitstek de dag om ervoor te zorgen dat de zielen van de stervelingen in het vagevuur zo snel mogelijk aan de hemelpoort mochten aankloppen. Dat heeft in onze contreien tot een boeiend fenomeen geleid, het zogenoemde ‘besjònkele’, oftewel het verdienen van ‘volle aflaten’. Elk nieuw kerkbezoek op Allerzielen betekende een nieuwe aflaat en bracht de overledene een stapje dichter bij de hemel, mits in de kerk zes Onzevaders, zes Weesgegroetjes en één schietgebed werden gebeden. Het moet een bijzonder schouwspel zijn geweest: honderden gelovigen die de kerk instormden, in hoog tempo al die gebeden afwerkten, vliegensvlug de kerk verlieten – natuurlijk niet zonder nog even bij het wijwatervat een kruisje te hebben gemaakt – en meteen weer de kerk insnelden voor de volgende aflaat.
Zo doen wij het niet meer tegenwoordig. Niks volle aflaten. Gewoon meteen voluit en vol overgave aan de borrel.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
De dag ervoor, op 1 november, herdenken katholieken hun heiligen, voor onze voorouders en ouders een plechtige aangelegenheid. Hun leven was doordrenkt van heiligen en hun voorspraak. Antonius van Padua werd bijvoorbeeld aangeroepen als men iets kwijt was, Sint Jozef voor een zalige dood en Moeder Maria voor al het menselijk leed. Honderden heiligen werden aanbeden. Nog altijd trouwens: zo viel onlangs te lezen dat ene Isidorus van Sevilla is uitgeroepen tot patroonheilige van het internet, omdat hij zo’n 1500 jaar geleden als een der eersten een encyclopedie heeft geschreven waarin vrijwel alle toenmalige kennis verzameld was.
Heiligen namen in het vaak armoedige en zware leven van alledag dus een vooraanstaande plaats in, maar aan de andere kant eigenlijk ook weer niet. Hun kostje was namelijk volgens het katholieke geloof van toen al lang en breed gekocht: zij zaten hoog en droog bij Onze Lieve Heer in de hemel. Zo verwoordden ze het natuurlijk niet, onze vaders, moeders en voorouders, maar zo dachten ze er stiekem wel over. Want ze wisten dat de zaken voor gewone stervelingen helemaal anders lagen: die hadden nog een allemachtig lange weg te gaan voordat zij zich bij Petrus mochten melden. Daarom was voor hen Allerzielen veel belangrijker.
Vagevuur
Allerzielen stond (en staat) dus in het teken van de overledenen. Daar kwam heel wat bij kijken. Enkele dagen tevoren al togen de gelovigen met emmers water, groene zeep, bezems, borstels, winterharde planten en bolchrysanten naar het kerkhof. Bij terugkomst werden pannenkoeken gebakken en bij een borrel herinneringen opgehaald.Het echte werk werd echter bewaard voor de dag zelf. Allerzielen was namelijk bij uitstek de dag om ervoor te zorgen dat de zielen van de stervelingen in het vagevuur zo snel mogelijk aan de hemelpoort mochten aankloppen. Dat heeft in onze contreien tot een boeiend fenomeen geleid, het zogenoemde ‘besjònkele’, oftewel het verdienen van ‘volle aflaten’. Elk nieuw kerkbezoek op Allerzielen betekende een nieuwe aflaat en bracht de overledene een stapje dichter bij de hemel, mits in de kerk zes Onzevaders, zes Weesgegroetjes en één schietgebed werden gebeden. Het moet een bijzonder schouwspel zijn geweest: honderden gelovigen die de kerk instormden, in hoog tempo al die gebeden afwerkten, vliegensvlug de kerk verlieten – natuurlijk niet zonder nog even bij het wijwatervat een kruisje te hebben gemaakt – en meteen weer de kerk insnelden voor de volgende aflaat.
Zo doen wij het niet meer tegenwoordig. Niks volle aflaten. Gewoon meteen voluit en vol overgave aan de borrel.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)

