Posts tonen met het label Utrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Utrecht. Alle posts tonen

zaterdag 3 juli 2010

ProRail: incompetente tuinkabouters

Het was gisteren weer feest op het spoor, met dank aan de zottenbende die als 'ProRail' door het leven gaat. Bij vorst, bij regen, bij vallende bladeren, bij sneeuw, bij wind en bij temperaturen boven en beneden 20 graden laat de complete infrastructuur het afweten, terwijl in de ons omringende landen de treinen gewoon stipt op tijd doen wat ze moeten doen. Het wordt tijd dat iemand eens geducht de kussens opschudt in dit door ernstig zwakbegaafden geleide bedrijf.

Om 17.10 uur stond ik op een snikheet perron in Woerden. Het sprintertje naar Utrecht had een vertraging van een minuut of tien, maar daar kon ik nog wel mee leven. In Utrecht begon echter de ellende. Geen treinen richting Den Bosch, Rotterdam, Deventer en nog een handvol andere plaatsen. Oorzaak: “Extreme weersomstandigheden”, zoals de digitaal ingeblikte stem van een of andere dame om de vijf minuten liet weten. Verder geen mededelingen, behalve dan dat de slachtoffers gratis water en fris kregen aangeboden. Een flinke pot bier was me liever geweest, maar allez, we mogen een gegeven paard niet in de bek kijken.

Tot 19.00 uur heb ik op perron 19 vruchteloos staan wachten tot de trein richting Tilburg zich in beweging zou zetten. Toen maar uit arren moede in de intercity naar Nijmegen gestapt. Een kolossale omweg, maar je moet iets, nietwaar? Rond 20.30 uur kwamen we in Nijmegen aan, met een vertraging van 40 minuten vanwege falende overwegen en seinpalen.
Godzijdank stond daar op perron 4b de boemel naar Den Bosch al klaar. Een conducteur, in het gelukzalige bezit van nog slechts één boventand en een enorme paardenstaart, bij elkaar gehouden door een smerig elastiekje – wie kan mij uitleggen waarom de NS de representativiteitseisen voor het personeel zowat naar nul heeft teruggeschroefd en het niet meer bezwaarlijk vindt om dit soort viezige ventjes met luizenvangers tot bijna op hun ongetwijfeld ongewassen kont op ons los te laten? – stond een woedende menigte toe te spreken: de trein was er, maar helaas was de machinist er niet, die was zoek, meldde hij blijmoedig. De helft van de treinen in het land stond stil, maar in Nijmegen slaagden ze er niet in om ergens een machinistje vandaan te halen.

Om 20.50 uur sukkelde uiteindelijk een bomvolle intercity vanuit Nijmegen naar Tilburg, waar ik rond 21.35 uur aankwam. Het boemeltje dat me tot slot naar Tilburg Reeshof moest brengen, bleek ook weer een forse vertraging te hebben. Welaan, dat kon er nog wel bij. Dan maar weer een half uurtje wachten.
Toen het half uurtje bijna verstreken was, deelde de mechanische stem van datzelfde mens als in Utrecht mee dat de boemel “helaas” niet meer zou rijden en dat de volgende boemel een half uur later zou vertrekken. “Met excuses voor het ongemak”, liet het kreng er nog op volgen. Had je dat niet eerder kunnen melden, tuttebel? Van ellende heb ik toen maar de bus genomen. Die reed tenminste wel. Om 22.35 uur was ik thuis. In een kleine zes uur een afstand van hemelsbreed 75 kilometer overbrugd.

Wees gerust, ik sla genadeloos terug. De lezer kan enkele bijzonder venijnige stukjes over dit volslagen incompetente bedrijf tegemoet zien. Ik zal ze hebben, die hersenloze, arrogante tuinkabouters.

vrijdag 20 november 2009

Viezerik

Sommige mensen zijn behept met een ziekelijke nieuwsgierigheid. Een gaaf exemplaar schurkte zich een paar weken geleden op perron 5 tegen me aan. Hij zal een jaar of tachtig zijn geweest en ging gehuld in de lucht die je doorgaans tegemoet komt als je een kroeg binnenstapt.

“Mot jij ook naar Utrecht?”
“Kennen wij elkaar?”
“Mot dat dan? Lekker gewerkt vandaag?”
“Ja.”
Hij kwam nog dichter bij me staan. Onmiskenbaar de geur van ouwe klare en een goedkope sigaar.
“Waarmee verdien je de kost?”
“Ik zit in de communicatie”, hoorde ik mezelf antwoorden, terwijl ik me afvroeg hoe lang het zou duren voordat hij met de vraag zou komen die alle Nederlanders schijnt bezig te houden. Ik werd op mijn wenken bediend.
“Schuift dat nog aardig?”
“Twee ton”, zei ik ver boven mijn macht.
“Allemachtig”. Hij deinsde zichtbaar onthutst een metertje terug, maar herpakte zich wonderbaarlijk snel.
“Kijk maar uit dat ze jou niet ophokken!” Zijn krakende lach deed me denken aan het gekras van een zieke kraai.
“Maar mot je nou naar Utrecht of niet?”
“Ik ga naar huis.”
“Daar staat je vrouw al klaar?”
Even oppassen, besefte ik, voor je het weet neemt het gesprek een scabreuze wending.
“Ik denk dat we eerst gaan eten”, antwoordde ik tactisch.
“Oh. En wat schaft de pot?”
“Erwtensoep.”
Hij trok zijn neus op. “Verder niks? Je krijgt toch wel wat meer met al je geld?”
“Tuinbonen met mosterd.”
Hij kreunde van afgrijzen.
“Aardappelpuree, flink wat vette jus, pannetje uitgebakken spek en…”

Ik kon me de moeite besparen. Hij had zich al uit de voeten gemaakt. Twintig meter verderop zette hij zijn handen aan zijn mond en galmde over het perron: “Ga maar lekker alleen naar Utrecht, viezerik!”