Posts tonen met het label NOAD. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NOAD. Alle posts tonen

zondag 13 december 2009

Poëet

Voor mij liggen de ingebonden jaargangen 1924 tot en met 1929 van ‘NOAD-Nieuws’, een krantje dat bij thuiswedstrijden van deze eerbiedwaardige Tilburgse voetbalvereniging onder het publiek werd verspreid. Ik heb altijd een voorliefde gehad voor dit soort historische lectuur. Zo’n vergeeld krantje heeft immers veel méér te bieden dan alleen maar het woordje vooraf van de voorzitter, de opstellingen en de competitiestanden. Het geeft de lezer inzicht in de cultuur van die dagen, de manier van leven, de humor en niet te vergeten de koopwaar van de plaatselijke middenstand.
De toenmalige voeballiefhebbers waren, zo blijkt, sterk geïnteresseerd in rookgerei, hoeden en petten, ‘Rund-, Kalfsch- en Varkensvleesch’, ‘Ondergoederen en andere kleeding’, ‘Behangselpapier’, ‘Vogelzaden, Kippen- en Duivenvoer en Grutterswaren’ en uiteraard een forse pint: ‘Bezoekt na afloop van den wedstrijd cabaret De Lindeboom. Optreden van het gevierde Vlaamsche Duo Jeffranso’s met wederom schitterend repertoire’. Ons vertrouwen in deze laatste mededeling is overigens niet overweldigend.


Voor Willem II had men toen nog een heilig ontzag. De Tricolores konden een dikke tachtig jaar geleden dan ook bogen op een serie klinkende namen. In het doel Mathijsen, achterin de backs Stevens en Brekelmans, op het middenveld Jole, Mommers en Schollaert en voorin Engel, Horsten, Van Son, Leijnen en Gielens. De angst voor dit elftal droop werkelijk van de pagina’s. Ook al had de redacteur nog zo zijn best gedaan om het defaitisme binnen pruimbare proporties te houden, verder dan één armzalig lichtpuntje was hij niet gekomen: “In plaatselijke ontmoetingen zijn beide partijen in den regel in hun besten vorm, zoodat we a.s. Zondag wel de mooiste wedstrijd van het seizoen hebben”.

Een probleem dat de huidige voetballiefhebber bij tijd en wijle aardig dwars kan zitten, was ook in de jaren twintig van de vorige eeuw kennelijk in volle hevigheid aanwezig, getuige het werkstuk van een tientallen coupletten doorzeurende NOAD-poëet. ‘Aan de vrouwen en meisjes’, heette zijn langdradige ontboezeming, waarvan alleen de eerste twee coupletten enigszins aan de tand des tijds zijn ontkomen. Sterker nog: als ooit nog eens een standaardwerk wordt geschreven over erotiek in de poëzie, mag het eerste couplet daarin beslist niet ontbreken:

“Lieve, brave, leuke poesjes
Van het vrouwelijk geslacht
Ik hoorde van Uw lieve lippen
In stilte reeds een kleine klacht

‘k Hoorde ze die harde woorden
Uit Uw lieflijke snuit:
‘Ik had zoo graag dat mannie thuis bleef
En toch trekt-ie er tusschen uit’.”


Maar zelfs de poëet en de poesjes met hun lieve lippen konden niet verhinderen dat NOAD ook deze titanenstrijd tegen de Tricolores kansloos verloor.

Er kan veel gebeuren in een kleine eeuw. Vanmiddag zijn de Tricolores voor de zoveelste keer in deze voetbaljaargang geducht tegen de lamp gelopen. Tilburg maakt zich op voor het ergste. De tijd dat gerenommeerde ploegen met knikkende knieën en onder het prevelen van wanhopige schietgebedjes de grasmat aan de Goirleseweg betraden is voorbij. En met de poëten is het ook al niet meer wat het geweest is.

zaterdag 12 december 2009

Tilburgse bollenschuppers

Toen ik vanmorgen het nog steeds prachtige ‘Het Rijke Roomsche Leven’ van Michel van der Plas uit de boekenkast nam, viel er een vergeeld knipsel uit: een artikel uit het Algemeen Dagblad van 1 september 1988. Een feest van herkenning.
Het artikel verhaalt hoe Brabander Ton Meijs er toentertijd in geslaagd was zijn passie voor voetbal te combineren met zijn studie geschiedenis: zijn doctoraalscriptie ging namelijk over de geschiedenis van het vooroorlogse voetbal in Tilburg. Een verhaal waarin standsverschil, ‘bollenschuppers’, dekens, pastoors, kapelaans en andere vertegenwoordigers van de rijkelijk aanwezige clerus de hoofdrol speelden.

De clerici moesten, beweerden zij bij hoog en bij laag, niks van voetbal hebben. Elke week werd op de dag des Heren een sidderend gehoor vanaf de kansel op het hart gedrukt dat de zaak heel simpel lag. Een gelovige kon kiezen tussen voetbal en de kerk. Niks meer en niks minder. Koos de gelovige het voetbal, dan lagen hel en verdoemenis in het verschiet. De beminde gelovigen, inclusief het kwartet dat achterin zat te hoogjassen, waren dus gewaarschuwd en moesten wel beseffen dat de eeuwigheid allemachtig lang zou duren.
Duidelijk taal, maar helemaal consequent was de clerus niet. Willem II mocht zich namelijk verheugen in de warme belangstelling der herders, wat dogmatisch werd onderbouwd door te wijzen op het bijzondere karakter van de vereniging. Was Willem II niet de club van de gegoede burgerij, van de fabrikant Van den Bergh en de familie Arts, die de scepter zwaaide over de Nieuwe Tilburgsche Courant? Dat was andere koek, waarvoor Onze Lieve Heer graag een uitzondering maakte. En in Zijn kielzog de clerici. Zij sloegen geen wedstrijd over en lieten zich na afloop gaarne in een sjieke tent fêteren.
Nee, meneer pastoor bedoelde, zo moesten de beminde gelovigen goed begrijpen, het volstrekt heidense voetbal van bijvoorbeeld NOAD, de arbeidersclub, of van LONGA, de kantoorkrukkenvereniging. Waar haalden die het lef vandaan te denken dat ze op zondag ongestraft tegen een balletje konden trappen?

Het was water naar de zee dragen. Rond 1911 telde Tilburg al 23 – voor het merendeel wilde, niet-georganiseerde – verenigingen. Het kerkelijk gezag besefte dat het aantal hemelgangers op deze manier wel heel erg drastisch af zou nemen en besloot dat Onze Lieve Heer, zij het niet van harte, enige mildheid in Zijn opvattingen was gaan betrachten. Eerst de kerk, dan de bal, dat was het nieuwe parool vanaf de preekstoel. Om erop toe te zien dat de rooms-katholieke beginselen niet al te zeer bezoedeld zouden worden, besloten de hoogwaardigheidsbekleders bovendien als 'geestelijk adviseur' zitting te nemen in de clubbesturen. In de meeste gevallen bleef hun inbreng beperkt tot wat ‘geestelijke puntjes’, rondborstig tijdens de rondvraag onder het genot van een sigaar en een goed glas wijn naar voren gebracht, maar sommige pastoors hielden er een ruimere taakopvatting op na en bemoeiden zich even onbeschroomd als onbevoegd met de opstelling, de wissels en de taktiek. Niemand haalde het in zijn hoofd om deze aanbevelingen naast zich neer te leggen, want dat was meteen het einde van een veelbelovende carrière, zowel hier als in het hiernamaals.

Gelovig waren ze wel, die pastoors van voor de oorlog, maar bemind, zo moet worden gevreesd, een stuk minder.