Posts tonen met het label Vught. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vught. Alle posts tonen

woensdag 5 oktober 2011

Mgr. dr. G.W.J. van Z. B., moordenaar

Een jaar nadat de Tilburgse publicist Ed Schilders in 1988 Moordhoek het licht had doen zien, gaf hij op http://www.historietilburg.nl/ een overzicht van de reacties die zijn boek had opgeleverd. Positieve, maar ook nogal wat boze. Van de Zinnicq Bergmannen bijvoorbeeld die zich achtentachtig jaar na dato nog geroepen voelden om de eer van de familie veilig te stellen, en zelfs van dr. J. Peijnenburg, archivaris van het bisdom Den Bosch en eminent historicus, maar te veel priester om zich neer te kunnen leggen bij de conclusie van Schilders: pastoor Van Zinnicq Bergmann had in 1900 in de Noordhoekse kerk naar alle waarschijnlijkheid Marietje Kessels verkracht en vermoord. En was ermee weggekomen.

Afgelopen week verscheen het boek De moord op Marietje Kessels van de hand van Godelieve Kessels, nichtje van het slachtoffer. Hierin bevestigt zij op overtuigende wijze dat de pastoor inderdaad de moordenaar is geweest en dat de rooms-katholieke kerk daarna een vuil spelletje heeft gespeeld om deze afschuwelijke daad 'sub rosa' te houden. Het boek is uitvoerig in de media aan de orde geweest en haalde zelfs het NOS Journaal :




Wijwater
Van Zinnicq Bergmann werd op 5 januari 1851 in Vught geboren. Na het gymnasium bezocht hij het kleinseminarie in St. Michielsgestel, het grootseminarie in Haaren en promoveerde in Rome in de godgeleerdheid. Tien jaar diende hij aansluitend de kerk als kapelaan in Eindhoven, waarna hij naar Tilburg werd geroepen om als bouwpastoor de Noordhoekse kerk te bouwen, een aan het Heilig Hart gewijde tempel, om de plaatselijke krant maar eens te citeren. 

Van die kant had de pastoor weinig te vrezen. Ze droegen hem op handen, de journalisten van de Nieuwe Tilburgsche Courant. Dat bleek ook na zijn overlijden: de courant kwam woorden te kort om de grootheid van de prelaat te schilderen. Dagenlang werden de Tilburgers, die zo hun ernstige vermoedens moeten hebben gehad, getrakteerd op in wijwater gedoopte hagiografische stukken, waarin Van Zinnicq Bergmann naar voren trad als nog net geen heilige.

Drankbestrijding
Toch vertoonde zijn curriculum in grote trekken dezelfde mijlpalen als die van zijn collega's. Bij de Katholieke Sociale Actie waren vrijwel alle geestelijken wel op een of andere manier betrokken, zijn voorzitterschap van de Tilburgse Gezondheidscommissie was nu eenmaal inherent aan zijn functie en zijn betrokkenheid bij de drankbestrijding mag met een gerust hart een beroepsdeformatie van de toenmalige geestelijkheid worden genoemd: allemaal zaten ze in dit soort verenigingen en allemaal laafden zij zich na afloop van de bijeenkomsten met genoegen aan een goed glas en een goeie sigaar. En dan was hij nog Geheim Kamerheer van paus Pius X, een zachtmoedig zij het aartsconservatief mens. Wat deze functie precies inhield, onttrekt zich helaas aan mijn gezichtsveld.

Poeder
Op 25 oktober 1910 las de Tilburger in zijn Nieuwe Tilburgsche Courant:

“Met wijziging van ons bericht van l.l. Vrijdag kunnen wij mededelen, dat pastoor dr. Mgr. van Zinnicq Bergmann, zich tot ondergaan eener operatie heeft gesteld onder behandeling van dr. Freriks in het gesticht der eerw. Broeders van St. Johannes de Deo, en zijn volledig herstel binnen kort kan worden verwacht. (Hsg.)”
Op zondag 6 november voelde de pastoor zich niet goed. Hij vroeg de ziekenbroeder van het Bossche ziekenhuis om een poeder. Het waren zijn laatste woorden. Voor welke aandoening hij moest worden opgenomen, is niet bekend, maar een slecht geweten is het vast niet geweest.

Godelieve Kessels beschrijft in haar boek hoe enige tijd na de moord vader Kessels bezoek kreeg van twee hoogwaardigheidsbekleders uit Rome. Sindsdien heeft de doofpot 111 jaar zijn werk gedaan. En als het aan het bisdom Den Bosch ligt, blijft dit zo. Een woordvoerder liet weten dat elk bewijs ontbreekt. There's a method in the madness, wist Shakespeare al.

Bronnen
© foto: Regionaal Archief Tilburg


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

vrijdag 1 oktober 2010

Over Luns, de directrice en de nestor

Amsterdam, 1980 - Voor me laveerde een bejaard echtpaar voorzichtig langs de talloze losliggende stoeptegels en de soms verraderlijk opgestelde amsterdammertjes. “We zijn er bijna”, zei ze, een pronte, eerbiedwaardig grijze vrouw die kennelijk de regie voerde in hun huwelijk. Hij oud en kromgebogen, een wandelstok in de ene, de arm van zijn echtgenote in de andere hand.
Hij liet zich gewillig meevoeren naar de plaats van bestemming. Dat zal, schoot het plotseling door me heen, toch niet de bijeenkomst zijn van de KVD? “We zijn er, Nol.” Nol? Er waren voor zover ik wist binnen de KVD maar twee Nollen. Eén ervan, Nol Beemer, viel meteen af: die kende ik al jaren. Dan moest dit breekbare manneke waarachtig die andere Nol zijn.

Mevrouw Polman zette hem met zachte hand aan een tafel, nestelde zichzelf vervolgens in een hoekje van het etablissement, maakte een Tupperware lunchboxje open, hapte in een bruine boterham met kaas en zag met genoegen toe hoe haar Nol door al zijn ouwe makkers uitbundig werd begroet. De nestor, 85 inmiddels, sprak weinig, en als hij het deed, was het op de hem zo kenmerkende langzame, haast lijzige toon. Ook tijdens de vergadering beperkte hij zich tot een aandachtig stilzwijgen.

Doodstil
Belangrijk onderwerp van gesprek tijdens de vergadering was het naderend veertigjarig bestaan van de Kring, die op 12 januari 1941 was opgericht. Er zou een jubileumboek komen, elke problemist werd van harte uitgenodigd hiervoor vijf ongepubliceerde problemen aan te leveren. Ik zou het een en ander aan elkaar schrijven. De nestor knikte instemmend en krabbelde wat in een heel klein notitieboekje.
Rond een uur of twee - we waren het koffiestadium niet eens ontstegen - nam de directrice de nestor resoluut onder de arm: “Meneer Polman wenst u allen verder een plezierige middag toe”, zei ze statig. “Dank u wel”, mompelden we ietwat verbouwereerd, waarna het even doodstil werd in het gebouw van de Kruisvereniging. We wisten intuïtief dat we Polman nooit meer terug zouden zien: daar schuifelde een legendarisch problemist voorgoed weg uit ons leven, zomaar op een vroege zaterdagmiddag in Amsterdam.

Tegenstrijdige informatie
Het jaar 1895 bracht een aantal opzienbarende technische doorbraken. Röntgen ontdekte de naar hem genoemde stralen, de gebroeders Lumière draaiden de eerste film en Marconi maakte het eerste geslaagde radiocontact. Op 11 januari van dat jaar werd J. Edgar Hoover geboren, die later bijna een halve eeuw lang de FBI zou leiden en als zodanig meer macht zou hebben dan heel wat presidenten die hij had gediend.
Op dezelfde dag zag in Almelo Albertus Arnoldus Polman het levenslicht. Over het leven en werken van deze opmerkelijke man is niet veel vastgelegd en wat er is aan bronnenmateriaal, bevat nogal wat tegenstrijdige informatie. Zo meldde Theo van Prooijen (Het Damspel, 1957, nr. 3/4, p. 45) dat Polman in 1918 aan het dammen verslingerd was geraakt door toedoen van twee buurjongens, de gebroeders Jurg. Een andere bron verhaalde echter hoe hij voor het eerst met het dammen in aanraking kwam toen hij in 1916 als gemobiliseerd militair moest worden opgenomen in het hospitaal van Sint-Oedenrode. Van deze bron heb ik gebruik gemaakt in het jubileumboek van de KVD, omdat er voor mij geen enkele reden was om aan deze informatie te twijfelen. Toch klopt het verhaal niet, zo is me onlangs duidelijk geworden: er heeft in het Brabantse Sint- Oedenrode namelijk nooit een ziekenhuis bestaan, niet eens een tijdelijk militair hospitaal. Niemand minder dan Polman zelf was de bron geweest: hij had een en ander pontificaal gemeld in zijn brief die ik een paar dagen na de Kringbijeenkomst in Amsterdam mocht ontvangen en die voorts vijf eerste publicatie-problemen voor het jubileumboek bevatte. Het waren overigens beslist niet zijn beste problemen.

Ook over zijn maatschappelijke status lijken de bronnen het niet eens te zijn. Nol Beemer vertelde me ooit dat Polman in de tabakshandel had gezeten en daarmee een dusdanig vermogen had opgebouwd dat hij al op relatief jonge leeftijd kon gaan rentenieren. Maar Arie van der Stoep schrijft in zijn necrologie (gepubliceerd in De Problemist 1985, nr. 2) dat de nestor een sigarenzaakje exploiteerde. Van dit soort zaakjes waren er toen in elke straat wel twee te vinden. Later komen we op deze brandende kwestie terug. We beperken ons op dit moment even tot de vaststelling dat zowel Beemer als Van der Stoep waarschijnlijk gelijk had.

En dan zijn voorliefde voor de kleinere problemen: volgens Van Prooijen besloot Polman in 1927 zich alleen nog met het lichte werk bezig te houden. Maar het waarom van deze plotselinge omslag, die overigens tamelijk absurd zou zijn, maakte de Rotterdammer niet duidelijk. Arie van der Stoep rept niet over een abrupte ommezwaai, maar geeft wel een plausibele verklaring voor Polmans voorliefde: zijn problemen kwamen namelijk in zijn winkeltje tot stand tussen het helpen van de klanten door. Daardoor kwam hij nooit aan het forsere werk toe.

Feit en fictie lopen tot slot al evenzeer door elkaar heen waar het de productie van Polman betreft. Van Prooijen had het in 1957 over meer dan 3.000 gepubliceerde problemen, een aantal dat daarna hardnekkig in allerlei verhalen terugkomt. Maar Turbo Dambase van Klaas Bor, waarin alle gepubliceerde problemen zitten tot en met 2004, komt tot een aantal van 852. Normaal gesproken zou het persoonlijk archief van de componist in kwestie uitsluitsel kunnen bieden, maar in het geval van Polman gaat deze vlieger niet op. Van der Stoep in zijn necrologie in De Problemist:

“Hij weigerde hardnekkig ook maar één damblad te bewaren. Het enige tastbare bewijs dat hij problemen maakte was een kistje met papiertjes van allerlei kleuren en formaten, van giro-enveloppen tot drukwerk van vóór de wereldoorlog, met honderden probleempjes. Zijn vrouw hield bij welke er waren gepubliceerd, want al bekommerde hij zich niet om zijn gepubliceerde problemen, zijn boekhouding moest in orde zijn. Bij mijn laatste bezoek aan hem was hij bezig ongepubliceerde problemen te selekteren uit werk van soms al een halve eeuw oud. Hij was toen al in de tachtig.”

Telefoonverkeer
Enkele dagen na ontvangst van de genoemde brief ging de telefoon.
“Met Pólman... Pólman uit Almelo, ik geef u mijn vrouw even.”
“Met mevrouw Polman. Hebt u de brief in goede orde ontvangen?”
Dat kon ik bevestigen.
“Mijn man belt u met het verzoek om in het laatste probleem schijf 38 op 37 te plaatsen.
Volgens mijn man is de oplossing dan moeilijker te vinden. Kunt u dat voor ons regelen?”
Natuurlijk kon ik dat. Het ging om onderstaand werkstukje, hier nog met 38 gewoon op 38. (Klik in het diagram op ‘auto’).







Een kwartier later ging weer de telefoon:
“Nog een keer met mevrouw Polman. Mijn verontschuldigingen dat ik u weer lastig moet vallen, maar daar is een goede reden voor. Meneer Polman is namelijk tot het inzicht gekomen dat 37 terug moet naar 38. De stand is dan mooier, vindt hij. Zou u zo vriendelijk willen zijn?”
De schijf zou in de daaropvolgende weken in totaal zeven keer van plaats verwisselen. De kwestie hing kennelijk als een molensteen om zijn nek. Uiteindelijk kozen de nestor en de directrice voor veld 38 en dat was achteraf gezien maar goed ook: met 38 op 37 zit er via 28, 40, 37, 38, 19 en 5 een vreselijke bijoplossing in.

Laatste contact
Er ligt nog een onbeantwoorde vraag. Was Polman een vermogend man? Vermogend is wellicht niet het juiste woord, maar dat hij niet op de kleintjes hoefde te letten, staat vast. Enkele dagen na de laatste verhuizing van 37 naar 38 belde mevrouw Polman weer op.
“U hoeft niet bevreesd te wezen, hoor, meneer Polman is zeer tevreden over de probleemstelling. Wij bellen u voor een andere kwestie.”
De familie Polman bleek op zoek naar een service-appartement voor gegoede senioren. Had ik als telg van het bourgondische Brabant, waar toen inderdaad al heel wat van dit soort serviceflats waren opgetrokken, wellicht een goede suggestie? Die had ik. In Vught was zojuist een project afgerond dat zich specifiek richtte op ouderen met een gevulde bankrekening. Niemand minder dan Joseph Luns, die decennialang zijn stempel had gedrukt op het buitenlands beleid van Nederland en die op dat moment secretaris-generaal van de NAVO was, had er een appartement waarin hij zich terugtrok als ‘Brussel’ hem de keel uithing. Het had uitvoerig in alle Brabantse kranten gestaan. Een goedkoop appartement was het beslist niet: er moesten heel wat pegels worden meegebracht, zo’n halve ton aan (toen nog) guldens per jaar, toen heel veel geld. Van die halve ton was mevrouw Polman niet onder de indruk. Van Joseph Luns als potentiële buurman daarentegen wel. “Weet u, meneer Polman is niet zo gecharmeerd van die man”, zei ze ingetogen. Deze zeer beschaafd geformuleerde afkeer van Luns, die ik overigens helemaal deelde, markeerde het einde van een kort maar intensief telefoonverkeer tussen Almelo en Helvoirt.
Geruime tijd later zag ik dat de familie Polman naar Goor was verhuisd. Het zou na Almelo, Bussum, Halfweg en weer Almelo - ik zie ongetwijfeld enkele tussenstops over het hoofd - zijn laatste standplaats worden. In Goor is hij uiteindelijk op 31 juli 1984, bijna negentig jaar oud, overleden.

Polman als problemist
Zijn beste werk laat zich in enkele steekwoorden samenvatten: speels, lichtvoetig, eerder subtiel dan spectaculair, prettig ogende plaatjes, puntige slotakkoorden, om kort en goed te gaan: harmonisch. Toen de ‘Scherpe Regels’ (SR) een min of meer verplichtend karakter kregen, leek hij zich met duidelijke tegenzin in dit nieuwe regime te schikken: er staan heel wat constructies op zijn naam waarin hij de SR bewust aan zijn laars heeft gelapt. Het lijdt dan ook geen twijfel dat hij de SR als beknottend heeft ervaren.

Evergreens
Het heeft me een kleine twee avonden gekost om alle bijna 900 problemen na te spelen. De kwaliteit van het aanbod varieerde nogal. Er zit behoorlijk wat zouteloos, dor hout tussen en Polman zag er ook geen been in om een bepaald thema tot op het bot – eigenlijk tot vervelens toe – uit te melken, maar hij heeft ook een aantal composities op zijn naam staan die een gegarandeerde plaats zullen krijgen in het nog samen te stellen boek met daarin alle evergreens uit de geschiedenis van de damproblematiek.
In chronologische volgorde laat ik een aantal werkstukken zien die ik de auteur van dat nog te schrijven boek van harte wil aanbevelen.
De publicatiedatum van onderstaand probleem is onbekend, maar ligt ongtwijfeld ver voor de Tweede Wereldoorlog. Het is niet zomaar een meerslagstukje. Met name de tweede zet is buitengewoon fraai (1x1x2x2x3).







Er zullen indertijd best scherpslijpers zijn geweest die zurige opmerkingen hebben geplaatst bij wits laatste zet 29-24.







Het Damspel, juni 1928. Ongekend subtiel en sierlijk. Dit miniatuurtje komt dan ook terecht voor in alle bloemlezingen.







Gepubliceerd in het legendarische boek van G.L. Gortmans, 1001 Miniaturen (1939). Op het oog een bladprobleempje, maar in werkelijkheid een briljante forcing. Als zwart op de derde zet naar 24 slaat, volgen natuurlijk 22-18 en 21-17.







Eveneens afkomstig uit Gortmans’ 1001 Miniaturen en al evenzeer een evergreen. Zie toe hoe geraffineerd wit schijven naar de velden 25 en 30 transporteert om daarna met die twee vernietigend uit te halen.







Wederom een overbekend werkstukje uit 1001 Miniaturen. Vrijwel elke problemist heeft dit probleempje enige tijd als eigen vondst gekoesterd, maar Polman was ons allemaal voor.







Het Damspel, februari 1941. De smakelijke ingrediënten zijn een dot van een aanvangsstelling, een meerslagje, een plakker, een dwangslag van de zwarte dam en een damoffer van de witte dam. Ook dit probleem heeft tal van navolgers opgeleverd.







Het Kompas 1947. Na de grote terugslag 15x44 kan de zwarte dam ineens geen kant meer op. Heerlijk gesol met de zwarte dam, zowel tijdens het combinatieve gedeelte als in het motiefje. Dat dit probleem altijd redelijk onbekend is gebleven, zal wel te maken hebben met de twee minschijven voor wit en het doorgebroken stuk hout op 15.







Een van de weinige grotere constructies, geplaatst in Het Centrum op 24 december 1954. Let op hoe de zwarte dam dankzij een bijzondere slagkeuze naar de juiste plaats wordt gedirigeerd. Het (bekende en veelbewerkte) motief is, als ik me niet vergis, van de hand van Kees van de Kuilen.







De Problemist 1955. Met dit probleem won Polman de tweede prijs in het Kringkampioenschap van dat jaar. Als zwart op de tweede zet naar 19 slaat, volgt 4 (47) 2, 35, 24, 14. Twee volkomen scherpe varianten, nog steeds een zelden voorkomend fenomeen.







Het Damspel, december 1955. Er verschijnen drie dammen op het bord, waarvan de twee zwarte samen goed zijn voor vijf dambewegingen.







De Problemist, september 1964. Een fraaie klassieke stelling met een doorsnee-afwikkeling, maar dan moet wel worden bedacht dat Polman min of meer de geestelijk vader was van dit soort meerslagsystemen.

Gedenkplaatje
Een aantal Vughtenaren heeft zich in 2002, het jaar waarin Luns overleed, beijverd om in de hal van de serviceflat een gedenkplaatje aan te laten brengen: alle bezoekers moesten weten dat hier eens een Groot Vaderlander woonachtig was geweest. Het is niet doorgegaan. En dat is maar goed ook: een legendarisch problemist zou zich onmiddellijk in zijn graf hebben omgedraaid, zomaar op een lome ochtend in Goor.

(Foto: Het Damspel 1957)

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 19 september 2010

Jo Hobbelen, 1927-1985

Een kwarteeuw geleden reed Jo Hobbelen, waarschijnlijk verblind door de zon, met zijn taxi onder de boemel van Den Bosch naar Nijmegen. Daarmee kwam een eind aan het leven van een formidabel gewoon mens en een begenadigd dammer.

Vughtenaar op overweg gedood
Op een overweg onder Nuland is gistermiddag de Vughtenaar J. Hobbelen (58) verongelukt. Hij botste met zijn taxi tegen een personentrein uit de richting Den Bosch. Met het overlijden van de Vughtenaar Jo Hobbelen is een dammer van formaat heengegaan. Hobbelen werd in de jaren vijftig en zestig vijf maal kampioen van Brabant; in 1964 nam hij deel aan de strijd om het Nederlands kampioenschap. Als clubspeler was hij verbonden aan de Bossche vereniging Excelsior. Binnen de Nederlandse dambond was Hobbelen op vele manieren actief. Zo bekleedde hij zowel nationaal als regionaal de functie van wedstrijdleider. Hij verhoogde het spelpeil van de jeugd van onder meer Vught, Boxtel, St. Michielsgestel, Veghel en Schijndel. Voor de blinden-damsport maakte hij zich verdienstelijk door partijen te analyseren en de analyses vervolgens in te spreken op banden. (Brabants Dagblad, 26 en 27 juli 1985)

Ergens in de jaren zestig fietste ik als manneke van een jaar of vijftien, zestien, voor de eerste keer naar de damclub in Vught. VDC was 'thuis' in het patronaatsgebouw De Gouden Zonne, een hopeloos verwaarloosd bouwwerk dat in de hoogtijdagen van het Rijke Roomse Leven ongetwijfeld betere tijden had gekend. Een van gemeentewege aangestelde, hevig stotterende jongeman, Hans geheten, deed zijn uiterste best om er nog iets van te maken, maar het was vechten tegen de bierkaai en, vaak letterlijk, dweilen met de kraan open.
VDC zetelde op de eerste verdieping in een kamertje dat maar net groot genoeg was om alle leden te herbergen. Dat waren er overigens nooit meer dan vijftien. Mijn eerste partij, tegen ene Cees Lips, staat nog op mijn netvlies gebrand. Ik bracht het een heel eind, maar net op het moment waarop ik de remise in de wacht dacht te slepen, werd ik het slachtoffer van een finesse. "Toch heej dè mènneke d'r wel kèèk op", zei Lips tegen zijn kornuiten. Een week later haalde ik er wel remise uit en de week daarop won ik mijn eerste pot. Ik hoorde er voortaan helemaal bij.

Bloedbad
Het was een gezellige club en, gelet op het minimale aantal leden, niet eens zo'n slechte: ook al moesten we regelmatig met een man of acht, negen op stap, toch wist het eerste en enige tiental van VDC zich door de jaren heen moeiteloos te handhaven in de Brabantse hoofdklasse. En dan te bedenken - het was een van de favoriete filosofieën van de heren - dat de beste Vughtenaren elders hun heil hadden gezocht!
Het werd me al snel duidelijk dat het hier in feite alleen maar ging om Jo Hobbelen, een man die sinds 1944 bij het Bossche Excelsior damde en zeker in het Brabantse grote naam had gemaakt. Maar ook ver daarbuiten: hij had inmiddels alle groten in het vak wel zo'n beetje tegenover zich gekregen en ze hadden het bijna allemaal Spaans benauwd gehad. In de jaren vijftig en zestig was Jo vijf keer kampioen van Brabant geworden, in 1964 wist hij door te dringen tot het Nederlands Kampioenschap, waarin hij met 15 uit 15 een fraaie zevende plaats binnensleepte.
Zijn partijen haalden met de regelmaat van de klok de nationale en internationale dampers. Zo konden we in dat miezerige bovenkamertje van De Gouden Zonne nog steeds in alle bewondering genieten van de manier waarop Jo tijdens het Bevrijdingstoernooi 1970 (Eindhoven) eindspelcomponist Johan Bastiaannet al na een minuut of vijf verschrikkelijk onderuit had gehaald, een partij die daarna de hele wereld is overgegaan.

Dit bloedbad in beeld (ik put nu geheel uit mijn geheugen, de volgorde van de zetten kan in werkelijkheid een andere zijn geweest): 32-28 (16-21) 31-26 (18-22) 37-32 (11-16) 41-37 (7-11) 34-29 (20-24) 29x20 (15x24) 46-41 (1-7) 40-34 (21-27) 32x21 (16x27) 37-31 (10-15) 45-40 (5-10) 42-37 (15-20) 48-42? Hobbelen haalde er nu de volgende spetterende damcombinatie uit: (27-32!) 38x18 (12x32) 37x28 (24-29) 33x15 (17-21) 26x17 (11x33) 39x28 (14-20!) 15x24 (19x46) en alles is over en voorbij.

Zijn speelstijl was gedurfd. Hij hield ervan complicaties te creëren. Daarom was hij tegen mindere spelers ongekend productief. Jo permitteerde zich tegen deze spelers onverantwoorde risico's en het was prachtig om te zien hoe zijn tegenstanders langzaam maar zeker terechtkwamen in een spiraal die begon met een zekere ongerustheid en uit kon monden in opperste paniek en wanhoop. Kon, inderdaad, want meestal hadden zij in dit dramatische proces van geestelijk verval al in een veel eerder stadium de definitieve fout geproduceerd. Tegen gelijkwaardige of betere spelers nam hij wat gas terug, maar was zijn speelstijl nog steeds ronduit agressief. De aangehaalde partij tegen Bastiaannet is daarvan een voorbeeld. De openingsopzet van zwart is, zeker na (15-20), uiterst dubieus, maar nog net speelbaar. Soms viel hij in zijn eigen mes. Zijn avontuurlijke inborst vereiste diepzinnig rekenwerk. Daardoor was hij af en toe geneigd juist de hele simpele en elementaire dingen over het hoofd te zien. Ik heb hem tegen Maertzdorf (Excelsior - Treebeek) eens in een 2 om 7 zien vliegen.

Arbeiderszoon
Eens per jaar organiseerde het bestuur van VDC het Open Kampioenschap van Vught. Dat was een happening die doorgaans acht maandagavonden in beslag nam en waarop, behalve de leden van VDC, toch gauw zo'n drie dammers 'van buiten' afkwamen. Groot was de bestuurlijke vreugde - we leven inmiddels begin jaren zeventig - toen bekend werd dat niemand minder dan Hobbelen zich voor een van die open toernooien had ingeschreven. Zo maakte ik begin jaren zeventig voor het eerst met hem kennis.
We konden het - vanaf dat eerste moment tot zijn dood - goed met elkaar vinden. Ik vond hem meteen een bijzondere man. Hij wekte enigszins - toch had hij in rond Brabants 'geen spatjes' - de indruk een man in bonus te zijn, niet in de laatste plaats door zijn bekakte tongval. De werkelijkheid was echter aanzienlijk minder poëtisch.
Zijn levensverhaal was het verhaal van velen die in de jaren twintig waren geboren. Opgegroeid in armoe was hij net als zijn leeftijdgenoten al op jeugdige leeftijd door de nood gedwongen toegetreden tot de arbeidersstand die het naoorlogse Nederland erbovenop moest helpen. Jo werkte, tot zijn rug het begaf, als bouwvakker. Hij had een begenadigd docent, mathematicus of jurist kunnen zijn: de intelligentie was er, het geld niet. En ware het geld er wel geweest, dan zou het zijn ouders naar alle waarschijnlijkheid aan de wil hebben ontbroken. Onze Lieve Heer had nu eenmaal rangen en standen gewild en als er geen arbeidersklasse meer zou zijn, zouden de hele maatschappij, de rooms-katholieke zuil en de Heilige Moederkerk in elkaar donderen. En hoe zoet was niet de beloning ná het bestaan op dit ondermaanse?
Wie zich niet in deze beklemmende en bekrompen wereldorde kon vinden en zich toch als arbeiderszoon probeerde op te werken, kreeg problemen. Dat werd gezien als een vorm van onchristelijke hoogmoed die kwam te staan op een visite van de parochieherder. En leverde dat niet het gewenste resultaat op, dan was er nog altijd het hoofd van de lagere school, die het zich tot taak rekende het Rijke Roomsche Leven te dienen door de zonen en dochters van katholieke arbeiders naar de Ambachts- of de Huishoudschool te sturen. Werkelijk begaafden mochten naar de MULO. HBS en MMS waren uitgesloten en het Gymnasium was alleen toegankelijk voor de arbeiderszoon die priester wilde worden. Of zei dat te willen. Deze U-bocht constructie heeft vanuit de katholieke arbeidersstand toch nog een aantal grote mensen voortgebracht.

Maar zoals gezegd, Jo hoorde niet bij deze groep. Hij was gedwongen zijn rug dag na dag op bouwsteigers de vernieling in te werken. En velen met hem. Mijn vader bijvoorbeeld, als 'stoker eerste klas' in dienst van 'De Godshuizen', een door clericalen en nonnen bestierde psychiatrische inrichting, verpestte dag na dag in en rond de ketelhuizen zijn longen (hij stierf in 1994, volkomen kapot, uitgemergeld en uitgeput, op 67-jarige leeftijd). Ook mijn vader was een intelligent en uiterst belezen mens. Maar als kind van dezelfde generatie was het hem evenmin gegeven zich te ontworstelen aan de tijdgeest. Aan mijn opa heeft het overigens niet gelegen, aan mijn oma des te meer. Dat mens was roomser dan de paus - 'fijner dan gemalen poppenstront' zou de Brabander zeggen. Als manneke van hooguit vier, vijf jaar heb ik mijn opa tijdens het kaarten eens mals horen vloeken. "Dat ga je biechten, Nico!", beet oma hem toe, maar voor dit soort commando's was hij in de loop der jaren tamelijk ongevoelig geworden. Tot mijn verbazing trok ze haar jas aan en vertrok, op weg naar een plaatsvervangende biecht (die vanuit kerkelijk-juridisch perspectief waarschijnlijk niet eens geldig is geweest, ook dat nog).
Er lagen derhalve duidelijke parallellen tussen het leven van Jo en mijn vader. Dat zal een van de redenen zijn geweest dat het tussen Jo en mij altijd uitstekend heeft geboterd.

Heer van stand
Jo zocht en vond ruimschoots compensatie in de dammerij. In dit wereldje was zijn naam gevestigd, werd hij met egards omringd, was hij een veel gevraagd bestuurslid, mede-organisator, schrijver en rubricist. Wellicht heeft zijn bekakte tongval alles te maken met zijn vooraanstaande positie in de damwereld. Ik heb hem bijvoorbeeld nooit horen vloeken. Een welgemeend 'gatsie!' was zo ongeveer zijn krachtigste uiting van ongenoegen, op de voet gevolgd door 'vrééslijk sag!'. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat hij zich met dit taalgebruik in de bouw staande kon houden. Waarschijnlijk hebben wij, dammers, daarom altijd te maken gehad met slechts één kant van Jo Hobbelen, maar naar ik vermoed wel de echte. Omdat hij in de damwereld was wat hij in het maatschappelijk leven ook had willen zijn. Een jongen van het volk die op eigen kracht een heer van stand was geworden.

Fabelachtig
Het ging er spannend aan toe in dat Vughtse kampioenschap. Jo had één puntje meer dan ik, het onderlinge duel in de laatste ronde moest de beslissing brengen. Het werd een partij op het scherpst van de snede vanuit de toen immens populaire 33-29 (17-22) opening. Uiteindelijk kwam ik met wit in de volstrekt inferieure diagramstelling terecht, waarin ik weinig anders had dan het armoedige 48-42. Het wemelt nu van de damzetten, maar het doorrekenen van de gevolgen ervan is geen sinecure. Hobbelen nam een afwikkeling die niets meer opleverde dan remise. Hij had het karwei echter op een fabelachtige manier kunnen afmaken.

48-42? (26-31) 37x26 (17-22) 28x17 (12x21) 23x2 (13-18) 26x17 (36-41) 47x36 (27-32) 38x27 (18-23) 29x18 (20x47) 3x20 (47x34) 30x39 (15x24).
Hobbelen maakte nu en dan ook damproblemen. Af en toe verschenen er problemen van zijn hand in bladen zoals Het Damspel, De Problemist of het clubblad van Excelsior, maar ze waren op de vingers van één hand te tellen en de kwaliteit was niet altijd denderend. Af en toe echter schoot hij uit zijn slof met een juweeltje. Zijn mooiste is zonder twijfel deze:

Wit wint door 49-43 (40x49) 32-28 (23x32) 41-37 (32x41) 22-18 (13x31) 33-29 (24x44) 35x4 (16x27) 42-37 (31x33) 4x16 (49x21) 16x15!

Dat er met Jo nog eens iets zou gebeuren, heb ik altijd vermoed en gevreesd. Hij was op gezette tijden een roekeloos rijder. In zijn Skoda Sport bijvoorbeeld, die hij had aangeschaft toen hij een vette prijs gewonnen had in de voetbaltoto. Het was een vehicel dat bij 90 kilometer per uur al aardig begon te trillen en ook voor de rest meer uit garen en band leek te bestaan dan uit solide materialen. Maar dat kon hem niet deren. Zo reed Jo op de terugweg vanuit Roosendaal (waar we hadden deelgenomen aan een sneldamtoernooi) naar Vught vlotweg 140 kilometer per uur, terwijl het gutste van de regen, de storm door de kieren van de auto gierde en aquaplaning ons van de ene naar de andere kant dreef.
"Dat gaat nog eens goed fout, Jo", zei ik. Hij moest er hartelijk om lachen. "Ach, jongen, het komt zoals het komt."

De man, die alleen in de auto zat, reed omstreeks kwart over vier vanuit de richting Nuland de spoorwegovergang op. De overweglichten waren op dat moment in werking. De taxi werd gegrepen door de aansnellende trein. De bestuurder was op slag dood. De trein sleurde het motorgedeelte van de auto vierhonderd meter mee. (Brabants Dagblad, 26 juli 1985)

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl