Posts tonen met het label Helvoirt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Helvoirt. Alle posts tonen

maandag 30 september 2013

‘Goedgetòld’, pracht van een ‘diksjenèèr’


Mijn moeder, een Helvoirtse, was er heilig van overtuigd: geen vreselijker dialect dan het Tilburgs. Voor haar was het één lange, onafgebroken vloek, bij het aanhoren waarvan er voor je oren weinig anders opzat dan schielijk in hun schulp terug te vluchten. Met die zekerheid voor het leven ben ik opgegroeid. Maar toen ik zelf begin jaren tachtig van de vorige eeuw toetrad tot de Tilburgse gemeenschap, rees rap het voorzichtige vermoeden dat mijn moeder er wel eens finaal naast zou kunnen zitten. Zou er een mooiere en rijkere taal zijn dan het Tilburgs?


Cefalofoor
Nu weet ik het zeker dankzij een pracht van een boek: Goedgetòld. Diksjenèèr van de Tilbörgse taol (2007, 3e druk, in de betere boekhandel te koop voor slechts 24,50), een doorwrochte, rijk geïllustreerde pil (440 pagina's) van Paul Spapens, Gerard Steijns, Wil Sterenborg en Frans Verbunt, de lokale experts bij uitstek. Het is een werk dat je met rooie oren leest. Niet alleen wordt de betekenis uitgelegd van duizenden typisch Tilburgse woorden en uitdrukkingen, ook wordt de lezer uitvoerig geïnformeerd over de vaak eeuwenoude gewoonten en eigenaardigheden van de Tilburger. Het boek beperkt zich echter niet tot de lokale en regionale cultuur. Zo stuitte ik bij de uitleg van het lemma guld (= gilde) op het voor mij (en waarschijnlijk alle Tilburgers, Brabanders en Nederlanders) volslagen onbekende begrip cefalofoor. Nooit geweten dat het hier gaat om een man of vrouw – meestal een heilige – die kan bogen op een bepaald niet alledaagse gave. De cefalofoor is namelijk in staat om na zijn of haar onthoofding het eigen hoofd op te pakken en er doodgemoedereerd mee weg te wandelen. Ik geef het u te doen.

Pelèèrbèèter
Als wat rijpere Brabander ben ik redelijk op de hoogte van de dialecten in mijn omgeving. De reis door de diksjenèèr was dan ook vaak een feest van herkenning. Maar het vuistdikke werk staat ook boordevol begrippen en zegswijzen waarvan ik nog nooit had gehoord. Een (zeer bescheiden) greep:

  • Ballefrutter – een van de vele scheldnamen van de Tilburger voor de inwoners van Goirle, een plaats die tegen Tilburg aangeplakt ligt en die tot nu toe tegen alle verwachtingen in erin is geslaagd zelfstandig te blijven. Het woord ‘ballefrutter’ slaat terug op het gegeven dat in Goirle tot ver in de negentiende eeuw een levendige huisnijverheid heeft bestaan in de vervaardiging van kaatsballen. Andere scheldnamen voor de Goirlenaar:  Golse gèèt (gèèt = geit) en, nog mooier, over de heg gegooide Bèls (Bèls = Belg)
  • Blauwe den – kind met rood haar dat volgens een hardnekkig Tilburgs volksgeloof was verwekt terwijl de moeder ongesteld was. De diksjenèèr: “Aan een blauwe werd ook wel eens plagend gevraagd: ‘Had jöllieje vadder soms roest in de pèèp?’"
  • Broeder – flinke drol
  • Gissele – aanlengen van jenever met water. Dit gebeurde vooral in de jaren 1920-1936, toen het tijdens de kermis verboden was jenever te schenken (bier mocht wel). Ook Tilburg heeft derhalve zijn drooglegging gekend en net als in de Verenigde Staten leidde dit tot een levendige illegale handel, met dank aan de smokkelaars van en naar het jeneverrijke Belgische Poppel
  • Hègwuw – (hegweduwe), ongehuwd meisje dat bij wijze van spreken achter de heg zwanger was geraakt. Een grotere schande was in het door en door katholieke Tilburg (en ver daarbuiten) nauwelijks denkbaar
  • Oopetoebroek oftewel snèlzèèker – vrouwenonderbroek zonder kruis, hetgeen de Tilburgse dames in staat stelde heel snel te zèèken. Ze hoefden alleen maar hun rok(ken) op te tillen
  • Pelèèrbèèter – (pilaarbijter), iemand die tijdens de mis achterin de kerk tegen een pilaar hing en soms zelfs met andere pelèèrbèèters zat te klaverjassen. In meer overdrachtelijke zin staat pelèèrbèèter voor schijnheilige
  • Tabbernaokel – natuurlijk betekent tabbernaokel gewoon tabernakel, maar in Tilburg had (en wellicht heeft) het daarnaast een nog veel mooiere betekenis: een diep decolleté
  • Vèldwachterke – borrelglaasje zonder voetje

En dan zijn er nog de vele wonderschone Tilburgse uitdrukkingen die veel zeggen over de bijzondere band van de Tilburger met het zich ontlasten. Daarover de volgende keer meer. In de tussentijd is een bezoek aan de fantastische website over de Tilburgse taal zeer de moeite waard. De site werd indertijd opgezet door Wil Sterenborg (90 jaar inmiddels) en wordt nu voortgezet onder redactie van Ed Schilders.

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

vrijdag 1 oktober 2010

Over Luns, de directrice en de nestor

Amsterdam, 1980 - Voor me laveerde een bejaard echtpaar voorzichtig langs de talloze losliggende stoeptegels en de soms verraderlijk opgestelde amsterdammertjes. “We zijn er bijna”, zei ze, een pronte, eerbiedwaardig grijze vrouw die kennelijk de regie voerde in hun huwelijk. Hij oud en kromgebogen, een wandelstok in de ene, de arm van zijn echtgenote in de andere hand.
Hij liet zich gewillig meevoeren naar de plaats van bestemming. Dat zal, schoot het plotseling door me heen, toch niet de bijeenkomst zijn van de KVD? “We zijn er, Nol.” Nol? Er waren voor zover ik wist binnen de KVD maar twee Nollen. Eén ervan, Nol Beemer, viel meteen af: die kende ik al jaren. Dan moest dit breekbare manneke waarachtig die andere Nol zijn.

Mevrouw Polman zette hem met zachte hand aan een tafel, nestelde zichzelf vervolgens in een hoekje van het etablissement, maakte een Tupperware lunchboxje open, hapte in een bruine boterham met kaas en zag met genoegen toe hoe haar Nol door al zijn ouwe makkers uitbundig werd begroet. De nestor, 85 inmiddels, sprak weinig, en als hij het deed, was het op de hem zo kenmerkende langzame, haast lijzige toon. Ook tijdens de vergadering beperkte hij zich tot een aandachtig stilzwijgen.

Doodstil
Belangrijk onderwerp van gesprek tijdens de vergadering was het naderend veertigjarig bestaan van de Kring, die op 12 januari 1941 was opgericht. Er zou een jubileumboek komen, elke problemist werd van harte uitgenodigd hiervoor vijf ongepubliceerde problemen aan te leveren. Ik zou het een en ander aan elkaar schrijven. De nestor knikte instemmend en krabbelde wat in een heel klein notitieboekje.
Rond een uur of twee - we waren het koffiestadium niet eens ontstegen - nam de directrice de nestor resoluut onder de arm: “Meneer Polman wenst u allen verder een plezierige middag toe”, zei ze statig. “Dank u wel”, mompelden we ietwat verbouwereerd, waarna het even doodstil werd in het gebouw van de Kruisvereniging. We wisten intuïtief dat we Polman nooit meer terug zouden zien: daar schuifelde een legendarisch problemist voorgoed weg uit ons leven, zomaar op een vroege zaterdagmiddag in Amsterdam.

Tegenstrijdige informatie
Het jaar 1895 bracht een aantal opzienbarende technische doorbraken. Röntgen ontdekte de naar hem genoemde stralen, de gebroeders Lumière draaiden de eerste film en Marconi maakte het eerste geslaagde radiocontact. Op 11 januari van dat jaar werd J. Edgar Hoover geboren, die later bijna een halve eeuw lang de FBI zou leiden en als zodanig meer macht zou hebben dan heel wat presidenten die hij had gediend.
Op dezelfde dag zag in Almelo Albertus Arnoldus Polman het levenslicht. Over het leven en werken van deze opmerkelijke man is niet veel vastgelegd en wat er is aan bronnenmateriaal, bevat nogal wat tegenstrijdige informatie. Zo meldde Theo van Prooijen (Het Damspel, 1957, nr. 3/4, p. 45) dat Polman in 1918 aan het dammen verslingerd was geraakt door toedoen van twee buurjongens, de gebroeders Jurg. Een andere bron verhaalde echter hoe hij voor het eerst met het dammen in aanraking kwam toen hij in 1916 als gemobiliseerd militair moest worden opgenomen in het hospitaal van Sint-Oedenrode. Van deze bron heb ik gebruik gemaakt in het jubileumboek van de KVD, omdat er voor mij geen enkele reden was om aan deze informatie te twijfelen. Toch klopt het verhaal niet, zo is me onlangs duidelijk geworden: er heeft in het Brabantse Sint- Oedenrode namelijk nooit een ziekenhuis bestaan, niet eens een tijdelijk militair hospitaal. Niemand minder dan Polman zelf was de bron geweest: hij had een en ander pontificaal gemeld in zijn brief die ik een paar dagen na de Kringbijeenkomst in Amsterdam mocht ontvangen en die voorts vijf eerste publicatie-problemen voor het jubileumboek bevatte. Het waren overigens beslist niet zijn beste problemen.

Ook over zijn maatschappelijke status lijken de bronnen het niet eens te zijn. Nol Beemer vertelde me ooit dat Polman in de tabakshandel had gezeten en daarmee een dusdanig vermogen had opgebouwd dat hij al op relatief jonge leeftijd kon gaan rentenieren. Maar Arie van der Stoep schrijft in zijn necrologie (gepubliceerd in De Problemist 1985, nr. 2) dat de nestor een sigarenzaakje exploiteerde. Van dit soort zaakjes waren er toen in elke straat wel twee te vinden. Later komen we op deze brandende kwestie terug. We beperken ons op dit moment even tot de vaststelling dat zowel Beemer als Van der Stoep waarschijnlijk gelijk had.

En dan zijn voorliefde voor de kleinere problemen: volgens Van Prooijen besloot Polman in 1927 zich alleen nog met het lichte werk bezig te houden. Maar het waarom van deze plotselinge omslag, die overigens tamelijk absurd zou zijn, maakte de Rotterdammer niet duidelijk. Arie van der Stoep rept niet over een abrupte ommezwaai, maar geeft wel een plausibele verklaring voor Polmans voorliefde: zijn problemen kwamen namelijk in zijn winkeltje tot stand tussen het helpen van de klanten door. Daardoor kwam hij nooit aan het forsere werk toe.

Feit en fictie lopen tot slot al evenzeer door elkaar heen waar het de productie van Polman betreft. Van Prooijen had het in 1957 over meer dan 3.000 gepubliceerde problemen, een aantal dat daarna hardnekkig in allerlei verhalen terugkomt. Maar Turbo Dambase van Klaas Bor, waarin alle gepubliceerde problemen zitten tot en met 2004, komt tot een aantal van 852. Normaal gesproken zou het persoonlijk archief van de componist in kwestie uitsluitsel kunnen bieden, maar in het geval van Polman gaat deze vlieger niet op. Van der Stoep in zijn necrologie in De Problemist:

“Hij weigerde hardnekkig ook maar één damblad te bewaren. Het enige tastbare bewijs dat hij problemen maakte was een kistje met papiertjes van allerlei kleuren en formaten, van giro-enveloppen tot drukwerk van vóór de wereldoorlog, met honderden probleempjes. Zijn vrouw hield bij welke er waren gepubliceerd, want al bekommerde hij zich niet om zijn gepubliceerde problemen, zijn boekhouding moest in orde zijn. Bij mijn laatste bezoek aan hem was hij bezig ongepubliceerde problemen te selekteren uit werk van soms al een halve eeuw oud. Hij was toen al in de tachtig.”

Telefoonverkeer
Enkele dagen na ontvangst van de genoemde brief ging de telefoon.
“Met Pólman... Pólman uit Almelo, ik geef u mijn vrouw even.”
“Met mevrouw Polman. Hebt u de brief in goede orde ontvangen?”
Dat kon ik bevestigen.
“Mijn man belt u met het verzoek om in het laatste probleem schijf 38 op 37 te plaatsen.
Volgens mijn man is de oplossing dan moeilijker te vinden. Kunt u dat voor ons regelen?”
Natuurlijk kon ik dat. Het ging om onderstaand werkstukje, hier nog met 38 gewoon op 38. (Klik in het diagram op ‘auto’).







Een kwartier later ging weer de telefoon:
“Nog een keer met mevrouw Polman. Mijn verontschuldigingen dat ik u weer lastig moet vallen, maar daar is een goede reden voor. Meneer Polman is namelijk tot het inzicht gekomen dat 37 terug moet naar 38. De stand is dan mooier, vindt hij. Zou u zo vriendelijk willen zijn?”
De schijf zou in de daaropvolgende weken in totaal zeven keer van plaats verwisselen. De kwestie hing kennelijk als een molensteen om zijn nek. Uiteindelijk kozen de nestor en de directrice voor veld 38 en dat was achteraf gezien maar goed ook: met 38 op 37 zit er via 28, 40, 37, 38, 19 en 5 een vreselijke bijoplossing in.

Laatste contact
Er ligt nog een onbeantwoorde vraag. Was Polman een vermogend man? Vermogend is wellicht niet het juiste woord, maar dat hij niet op de kleintjes hoefde te letten, staat vast. Enkele dagen na de laatste verhuizing van 37 naar 38 belde mevrouw Polman weer op.
“U hoeft niet bevreesd te wezen, hoor, meneer Polman is zeer tevreden over de probleemstelling. Wij bellen u voor een andere kwestie.”
De familie Polman bleek op zoek naar een service-appartement voor gegoede senioren. Had ik als telg van het bourgondische Brabant, waar toen inderdaad al heel wat van dit soort serviceflats waren opgetrokken, wellicht een goede suggestie? Die had ik. In Vught was zojuist een project afgerond dat zich specifiek richtte op ouderen met een gevulde bankrekening. Niemand minder dan Joseph Luns, die decennialang zijn stempel had gedrukt op het buitenlands beleid van Nederland en die op dat moment secretaris-generaal van de NAVO was, had er een appartement waarin hij zich terugtrok als ‘Brussel’ hem de keel uithing. Het had uitvoerig in alle Brabantse kranten gestaan. Een goedkoop appartement was het beslist niet: er moesten heel wat pegels worden meegebracht, zo’n halve ton aan (toen nog) guldens per jaar, toen heel veel geld. Van die halve ton was mevrouw Polman niet onder de indruk. Van Joseph Luns als potentiële buurman daarentegen wel. “Weet u, meneer Polman is niet zo gecharmeerd van die man”, zei ze ingetogen. Deze zeer beschaafd geformuleerde afkeer van Luns, die ik overigens helemaal deelde, markeerde het einde van een kort maar intensief telefoonverkeer tussen Almelo en Helvoirt.
Geruime tijd later zag ik dat de familie Polman naar Goor was verhuisd. Het zou na Almelo, Bussum, Halfweg en weer Almelo - ik zie ongetwijfeld enkele tussenstops over het hoofd - zijn laatste standplaats worden. In Goor is hij uiteindelijk op 31 juli 1984, bijna negentig jaar oud, overleden.

Polman als problemist
Zijn beste werk laat zich in enkele steekwoorden samenvatten: speels, lichtvoetig, eerder subtiel dan spectaculair, prettig ogende plaatjes, puntige slotakkoorden, om kort en goed te gaan: harmonisch. Toen de ‘Scherpe Regels’ (SR) een min of meer verplichtend karakter kregen, leek hij zich met duidelijke tegenzin in dit nieuwe regime te schikken: er staan heel wat constructies op zijn naam waarin hij de SR bewust aan zijn laars heeft gelapt. Het lijdt dan ook geen twijfel dat hij de SR als beknottend heeft ervaren.

Evergreens
Het heeft me een kleine twee avonden gekost om alle bijna 900 problemen na te spelen. De kwaliteit van het aanbod varieerde nogal. Er zit behoorlijk wat zouteloos, dor hout tussen en Polman zag er ook geen been in om een bepaald thema tot op het bot – eigenlijk tot vervelens toe – uit te melken, maar hij heeft ook een aantal composities op zijn naam staan die een gegarandeerde plaats zullen krijgen in het nog samen te stellen boek met daarin alle evergreens uit de geschiedenis van de damproblematiek.
In chronologische volgorde laat ik een aantal werkstukken zien die ik de auteur van dat nog te schrijven boek van harte wil aanbevelen.
De publicatiedatum van onderstaand probleem is onbekend, maar ligt ongtwijfeld ver voor de Tweede Wereldoorlog. Het is niet zomaar een meerslagstukje. Met name de tweede zet is buitengewoon fraai (1x1x2x2x3).







Er zullen indertijd best scherpslijpers zijn geweest die zurige opmerkingen hebben geplaatst bij wits laatste zet 29-24.







Het Damspel, juni 1928. Ongekend subtiel en sierlijk. Dit miniatuurtje komt dan ook terecht voor in alle bloemlezingen.







Gepubliceerd in het legendarische boek van G.L. Gortmans, 1001 Miniaturen (1939). Op het oog een bladprobleempje, maar in werkelijkheid een briljante forcing. Als zwart op de derde zet naar 24 slaat, volgen natuurlijk 22-18 en 21-17.







Eveneens afkomstig uit Gortmans’ 1001 Miniaturen en al evenzeer een evergreen. Zie toe hoe geraffineerd wit schijven naar de velden 25 en 30 transporteert om daarna met die twee vernietigend uit te halen.







Wederom een overbekend werkstukje uit 1001 Miniaturen. Vrijwel elke problemist heeft dit probleempje enige tijd als eigen vondst gekoesterd, maar Polman was ons allemaal voor.







Het Damspel, februari 1941. De smakelijke ingrediënten zijn een dot van een aanvangsstelling, een meerslagje, een plakker, een dwangslag van de zwarte dam en een damoffer van de witte dam. Ook dit probleem heeft tal van navolgers opgeleverd.







Het Kompas 1947. Na de grote terugslag 15x44 kan de zwarte dam ineens geen kant meer op. Heerlijk gesol met de zwarte dam, zowel tijdens het combinatieve gedeelte als in het motiefje. Dat dit probleem altijd redelijk onbekend is gebleven, zal wel te maken hebben met de twee minschijven voor wit en het doorgebroken stuk hout op 15.







Een van de weinige grotere constructies, geplaatst in Het Centrum op 24 december 1954. Let op hoe de zwarte dam dankzij een bijzondere slagkeuze naar de juiste plaats wordt gedirigeerd. Het (bekende en veelbewerkte) motief is, als ik me niet vergis, van de hand van Kees van de Kuilen.







De Problemist 1955. Met dit probleem won Polman de tweede prijs in het Kringkampioenschap van dat jaar. Als zwart op de tweede zet naar 19 slaat, volgt 4 (47) 2, 35, 24, 14. Twee volkomen scherpe varianten, nog steeds een zelden voorkomend fenomeen.







Het Damspel, december 1955. Er verschijnen drie dammen op het bord, waarvan de twee zwarte samen goed zijn voor vijf dambewegingen.







De Problemist, september 1964. Een fraaie klassieke stelling met een doorsnee-afwikkeling, maar dan moet wel worden bedacht dat Polman min of meer de geestelijk vader was van dit soort meerslagsystemen.

Gedenkplaatje
Een aantal Vughtenaren heeft zich in 2002, het jaar waarin Luns overleed, beijverd om in de hal van de serviceflat een gedenkplaatje aan te laten brengen: alle bezoekers moesten weten dat hier eens een Groot Vaderlander woonachtig was geweest. Het is niet doorgegaan. En dat is maar goed ook: een legendarisch problemist zou zich onmiddellijk in zijn graf hebben omgedraaid, zomaar op een lome ochtend in Goor.

(Foto: Het Damspel 1957)

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

woensdag 22 september 2010

Over Herman van Meggelen, Bossche kelkjes en een briljant motief

Helvoirt, 1963
Een regenachtige woensdagmiddag ergens in april: ik ben zojuist aangeschoven voor het eerste dampartijtje in mijn bijna tienjarige leven. Mijn tegenstander heet Peter Witlox en de plaats van handeling is diens ouderlijk huis onder de rook van de Sint Nicolaaskerk. “Je moet nooit naar de rand gaan, da’s zwak”, zegt hij. Hij ruilt zonder scrupules mijn openingszet 31-26 in voor 33-28 en voegt er meteen namens zichzelf 18-22 aan toe. “En nou moet je deze spelen.” Op zijn advies lever ik 39-33 af. “Máám, kom kijken, hij is erin getrapt!”, roept hij verheugd. Zijn moeder, een schrandere vrouw die geheel naar de toenmalige tijdgeest tot het fornuis veroordeeld is, ziet toe hoe haar kroost zich aan de tenuitvoerlegging van een geoliede Haarlemmer zet, strijkt even troostend over mijn haar en zegt: “Hiermee is zijn repertoire wel uitgeput, hoor.”

Het was niets minder dan een openbaring. Thuisgekomen liet ik weten dat ik op mijn tiende verjaardag een dambord met schijven wilde. Dat rare zetje had me gegrepen: fascinerend!
Dambord en schijven kwamen er. Wat later, toen het mijn ouders duidelijk was geworden dat het hier geen ordinaire bevlieging betrof, kreeg ik zowaar een damboekje: de Prisma van R.C. Keller. Welk een gelukzalig moment, waarde lezer, en wat een prachtig boekje! Neem nu de eerste regels, waarin deze meneer, die volgens de flaptekst onvoorstelbaar goed kon dammen, uitlegde dat dammen en dammen twee verschillende dingen zijn. Wie een redelijke ‘Boer, er ligt een kip in het water’ aan een piano weet te ontworstelen, is niet per definitie een begenadigd pianist. Zoiets stond er. Het was een metafoor die getuigde van een bovenmenselijk inzicht, vond ik.
In de daaropvolgende jaren kocht ik alles wat er op damgebied verscheen en in één van die boeken stond de tweede openbaring, symbolisch genoeg gepubliceerd in het jaar van mijn geboorte (1953). (Klik in het diagram op ‘auto’).






Wat na deze verbluffende afwikkeling rest is een krankzinnige positie die destijds een enorme indruk op me maakte. Zwart heeft een gigantisch aantal schijven op het bord staan, maar is ten dode opgeschreven. Ik had diep respect en een heilig ontzag voor de man die dit kunstwerkje had bedacht, ene H. van Meggelen. Overigens heb ik lang geleefd in de stellige overtuiging dat in de aanvangspositie 34-29 (want 32-27x27 kan natuurlijk niet vanwege 7-12, 10-15 en 24-29) ook wel zou winnen, maar toen ik de auteur daarmee jaren later confronteerde, schudde hij een geniale riposte uit zijn mouw, waarna hij glimlachend zijn kelkje en mijn glas liet bijvullen. Zie toe en geniet:






Laat ik echter niet op de zaken vooruitlopen en eerst vaststellen dat ik dankzij dit bijzondere probleem een meer dan normale belangstelling heb ontwikkeld voor de problematiek in het algemeen en Laocoönstellingen in het bijzonder.

Amsterdam, 1975
Ik sta bij het bord waarop Paul Germain beroerde momenten beleeft tegen Cees Varkevisser. Het zit Germain in dit Nederlands kampioenschap sowieso niet erg mee: hij loopt tegen zes nullen op. Eén ervan ontrolt zich binnen enkele seconden voor mijn ogen: Germain heeft namelijk net 9-13 afgeleverd. Oogt logisch, maar daar is alles mee gezegd. Ik voel een por in mijn zij. Naast me staat een rijzige man, flinke haardos, donkere bril, forse baard en een jonge klare in zijn hand. “Leuk zetje”, fluistert hij.






Gelaten doet Germain, een door en door vriendelijke Haïtiaan die op enig moment in Nederland verzeild was geraakt en nooit meer is vertrokken, de schijven in het doosje. Hij kijkt berustend om zich heen, bijna melancholiek, met een zweem van een glimlach op de lippen. Hunkert zichtbaar naar de warmte van zijn geboorteland. Varkevisser bestelt ondertussen bij de bar een biertje. Wij staan er ook, de rijzige man en ik. Het is mijn eerste kennismaking met Herman van Meggelen. Mooi moment om mijn twijfels uit te spreken over dat probleem uit 1953, maar de weerlegging is, ik liet het al zien, fabuleus.
“Doe je wat aan problematiek?”, vraagt Herman. Omdat ik inmiddels enkele krakkemikkige werkstukjes heb samengesteld, durf ik dat te bevestigen. Met zachte hand voert hij me naar een tafel, drukt me in een stoel, gaat tegenover me zitten, vouwt het magnetisch zakdambordje open en strooit er bijna achteloos wat dammen en schijven op. “Vanmorgen in de trein zomaar uit de lucht komen vallen”, zegt hij enigszins bagatelliserend. Niet terecht, zo blijkt. Het is een aangenaam ogende stelling vol fraaie finesses:






Zwart blijkt nu plotseling volkomen uitgeteld te zijn. Alleen het offer (35-40) 45x34 geeft nog wat lucht, maar dat mag eigenlijk geen naam hebben. Op (16-21) volgt 6-44, op (49-21) 6-11, op (49-43) 6-39! en tot slot op (49-35) 34-30!
“Als je schijf 44 terugzet op 40, heb je een lekker motief, maar ik vermoed dat het met die twee witte dammen een hels karwei is om er iets fatsoenlijks op te maken”, voorspelt hij, waarna hij vele, vele handen te schudden heeft, want hij kent iedereen en iedereen kent hem.
Ik heb het gevoel in enkele minuten heel veel rijker te zijn geworden. Thuis speel ik nog eens dat motiefje na: wonderlijk hoeveel verschillende minicombinaties met zo weinig materiaal kunnen worden gerealiseerd. Een briljant motief, is mijn eerste conclusie. En wat ben ik nog een kleine jongen, is de tweede.

Den Bosch, 1979
Karel Sax is een vriend van Piet Lauwen en penningmeester van de Kring voor Damproblematiek (KVD). Sax vervult dit ambt met de zwier van een passant die beseft erin geluisd te zijn. Hij is ook de zoon van de eigenaar van Instituut Sax, waar de Bossche jeugd zich kan bekwamen in typen en andere vaardigheden ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf. In een van de typelokalen vindt de jaarlijkse reünie van de KVD plaats. Er staat een aftandse koffieautomaat, meer valt er voor de Kringleden, die het grootste deel van de zaterdag achter veel te kleine lessenaartjes door zullen brengen, niet te nuttigen. De ambiance kan dus beduidend beter.
Van Meggelen is er ook. Hij slaat zich manmoedig door de armetierige omstandigheden heen, maar als de laatste plichtplegingen zijn afgewerkt, klopt hij me op mijn schouder: “Hoog tijd voor een neutje, jongen”. Even later zitten we in de Bossche stationsrestauratie. We spoelen de tegenvallende reünie weg met een kopstootje (voor de geheelonthouders onder de lezers: een ‘kopstootje’ is de benaming voor een biertje en een jonge klare. Men neme een nipje klare en spoele deze weg met een slok bier. Een hemelse combinatie voor degene die ‘s anderendaags voldoende tijd en gelegenheid heeft om de kater te verteren). De asbak op het belegen Perzische tafelkleed vult zich langzaam met zijn Belinda-peuken en mijn Drum-shaggies. De gemoedelijke dame van dienst zweeft af en aan met glazen en kelkjes. Twee zakdambordjes liggen op tafel. De ene na de andere vondst passeert de revue, tot de laatste trein naar het hoge noorden een eind maakt aan een bijzondere avond. Vanaf dat moment onderhouden we een levendige correspondentie. Herman is een begenadigd brievenschrijver. Brieven van soms tientallen pagina’s, gelardeerd met vijftig, zestig diagrammen. Pareltjes zijn het (één ervan is terug te vinden in het jubileumboek van de KVD bij het veertigjarig bestaan in 1981).
Begin jaren tachtig ontmoeten we elkaar nog enkele keren, niet zo indringend en intensief als die avond in de Bossche stationsrestauratie, maar even inspirerend en steeds met een neut onder handbereik. Want Herman is een Bourgondiër en houdt van het leven. Hij zou zich als Brabander ongetwijfeld op zijn gemak hebben gevoeld.

Tilburg, augustus 1984
Telefoon. Gerrit van der Linde aan de lijn. “Heb je het al gehoord? Herman van Meggelen is vorige week overleden. Zomaar ineens weg. Zijn hart.” Ik vloek. Het wordt een lege en stille dag. De buitentemperatuur bereikt tropische waarden, maar ik ril: ik herlees zijn brieven, herproef de keren dat we elkaar hebben ontmoet en speel een groot aantal composities na. Wat is hij toch een geniale componist geweest, concludeer ik weer. Elk werkstuk bevat minimaal één moment dat een Aha-Erlebnis teweeg brengt. Routine is hem vreemd. En altijd is de aanvanggstelling een lust voor het oog. Want daaraan hecht hij grote waarde: “Een gerecht moet er appetijtelijk uitzien”, heeft hij me talloze malen voorgehouden. “Een compositie moet intrigeren, het plaatje moet tot oplossing uitnodigen. Als de stelling oogt als een bak hondenvoer, is je honger over.”

Hoogstandjes
Moeiteloos zouden tientallen pagina’s gevuld kunnen worden met voorbeelden van zijn opvattingen over de problematiek en het zouden stuk voor stuk technische hoogstandjes zijn. Het is dan ook de overweging waard om zijn complete oeuvre nog eens te verzamelen en uit te geven. Ik beperk me hier tot een aantal plaatjes die mij om wat voor reden dan ook altijd hebben aangesproken. Laten we beginnen met een lekker smeuïg vraagstuk waarin de zwarte dam mag kiezen op welke manier hij tenonder wil gaan. Daarin schuilt ook het bijzondere: het kan snel, pijnloos en esthetisch of langzaam maar niet minder esthetisch. In allebei de gevallen voltrekt het vonnis zich haarzuiver en dat is dan weer een fenomeen dat in de problematiek maar zelden voorkomt:











In onderstaand probleem maakt de zwarte dam een indrukwekkende reis en wel via de velden 47, 35, 2, 16 en 50. Het aantal vraagstukken waarin een zwarte dam alle bordranden bezoekt, lijkt me uiterst beperkt. Het is trouwens ook een komen en gaan op veld 35.






Een probleem dat Van Meggelen maakte met ir. Jaap Viergever en dat inmiddels de status van ‘evergreen’ heeft verworven. Het werd gepubiceerd in De Problemist 1961. De prachtige meerslagen en de granaatinslag 32-27 maken van dit probleem een absolute topper. Dat er na alle schermutselingen een onbevredigende hoeveelheid hout overblijft, nemen we graag voor lief:






Een krankzinnige constructie van Herman in samenwerking met Andreas Kuijken. Zij werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Dammen (mei 1988).






Het is op zich al knap dat zwart nog een onwaarschijnlijk subtiele tegencombinatie weet te ontdekken, maar het antwoord van wit, de slag van de witte dam naar 31, is ronduit geniaal gevonden. En dat dan allemaal in de gelimiteerde omvang van een miniatuur. We mogen dit schitterende ding typerend noemen voor Van Meggelens opvattingen over de problematiek.
Zo heeft elk werkstuk van Herman van Meggelen iets bijzonders. ‘Never a dull moment’, het kenmerk bij uitstek van een groot componist. Herman van Meggelen was een eminent problemist, wiens creatieve vermogen om onduidelijke redenen altijd
enigszins is onderschat. Voor mij behoort hij onbetwist tot de nationale top vijf der groten in het vak.

Wars van autoriteit
Dat de dammer Van Meggelen een begaafde persoonlijkheid is geweest, is inmiddels duidelijk. Rest de vraag wie de mens Van Meggelen nu eigenlijk was.
Hermannus van Meggelen werd geboren op 23 april 1931 in het Groningse Haren. Hij bleek een slim manneke dat niet alleen uitgesproken koppig en driftig was, maar ook al heel snel duidelijk maakte wars te zijn van alles wat riekte naar autoriteit. Boven hem geplaatst gezag kon hij maar moeilijk accepteren. Op de middelbare school kwam hij in aanraking met het damspel en wat later met de problematiek. Zijn eerste problemen dateren al van 1949 en zijn onder meer terug te vinden in Het Damspel. Degene die nog eens het verzameld werk van Van Meggelen wil boekstaven, zal stuiten op de omstandigheid dat Van Meggelen zich graag verschool achter een onafzienbare reeks pseudoniemen. Zo zijn mij Harmke A. Smid en A. Iserga bekend, alsmede natuurlijk P. van Manen (uit Heteren, zo stond er telkens bij vermeld), maar het is niet uitgesloten dat Van Meggelen nog tal van andere schuilnamen gebruikte. Aan dit soort mystificaties ontleende hij nu eenmaal een bijna vlegelachtig plezier.
Zijn leermeesters van het eerste uur waren problemisten en auteurs van naam. Mannen als W. B. Monsma en Harm Schurer hebben hem bekend gemaakt met de grondbeginselen, maar ook mensen en persoonlijke vrienden als Viergever en Van der Linde hebben veel betekend voor zijn ontwikkeling als problemist.
Na de middelbare school ging hij aan de slag in de verzekeringsbranche. Een prima baan, zo meldt zijn zoon Jan, maar wel een waarin hij de nodige gezagsdragers boven zich te dulden had. Uiteindelijk won de vrijheidsdrang het van de zekerheid en koos hij voor het vrije ondernemerschap. Hij begon een meubelzaak, eerst in Zuidlaren, later in Groningen.
Conjunctuurgevoelig als de meubelbranche is, ging het Van Meggelen in zakelijk opzicht niet altijd naar den vleze. Dat gold zeker begin jaren tachtig, toen de economische malaise haar dieptepunt had bereikt. Ik was een van de weinigen die over zijn geheim telefoonnummer beschikten, de rest van de burgerij moest proberen hem via zijn meubelzaak te spreken te krijgen - wat onbegonnen werk was.
Maar voor- of tegenspoed, zijn kinderen bewaren aan hem de dierbaarste herinneringen. Jan van Meggelen: “Mijn vader was creatief, onderzoekend en perfectionistisch waar het om het componeren ging. Daarnaast was hij een gevoels- en gezelschapsmens bij uitstek, hij had altijd bezoek. Dat kwam ook omdat hij zo goed kon luisteren, problemen oploste voor anderen en altijd op de bres stond voor zwakkeren. Hij had een goed hart. Nou ja figuurlijk dan... Groningse dammers voelden zich bij ons thuis. Het was een soort clubhuis voor ze. Er zijn, bijvoorbeeld door Hans Jansen en Jannes van der Wal, veel trainingen gegeven aan de spelers van DC Groningen (Roxy Dual). Ook is er bij ons thuis een competitie georganiseerd voor ieder die maar wilde komen. Dit resulteerde in een bont gezelschap van sterke dammers uit Drente, Friesland en Groningen.”
Het ging hier om de roemruchte woensdagavondcompetitie, waarvan zeer leesbare verslagen zijn gemaakt door onder anderen Van der Wal. “Ik denk”, besluit Jan van Meggelen, “met warmte aan hem terug. Mijn vader was een groot mens. Letterlijk en figuurlijk.” En dat was hij. Een groot mens en een groot componist.

“Natuurlijk wordt er in de hemel gedamd. Niveau? Tweede klasse Provinciaal Groninger Dambond, schat ik in.” (Citaat uit een brief van 28 juni 1982)


NASCHRIFT: Het offer van Bedum

Wat is de mooiste creatie van Van Meggelen? Ik zou daarop geen antwoord kunnen geven: in zijn verzameld werk zitten heel wat vondsten die de tand des tijds glansrijk zullen doorstaan. Maar als het dan toch moet, gaat mijn voorkeur uit naar de Laocoön uit 1953. Niet eens zozeer vanwege de esthetische kwaliteiten als wel op grond van de invloed die deze compositie op mij heeft gehad.
‘Het offer van Bedum’ (de term is van Auke Scholma) is nauw verwant aan de Laocoön: ook in deze positie legt een overweldigende meerderheid het uiteindelijk af. Naar deze stelling gaat de voorkeur uit van Hermans zoon Jan. Jan van Meggelen: “In het diagram heeft Andreas Kuyken het over het thema-Van Meggelen. Zwart heeft een dam en staat 4 stukken voor. Toch is het aan alle kanten verloren:






Zwart heeft niets beters dan (18-23). Na het slaan is de dubbele dreiging 7 of 8 beslissend.






In bovenstaand diagram heeft mijn vader dit motief verwerkt. Het werd gepubliceerd in het programmaboekje van het NK in Bedum 1980. De oplossing: 471! Omdat nu op (35) het vernietigende 450! volgt, moet zwart wel (47), waarna we via 461, 427 en 382!! in het thema-diagram terechtkomen. Helaas heeft Kuyken een bezwaar en dat is dat wit wellicht ook wint via 427, 471. 372 (44) 5 (40) 6 (36).” (Toch is die winst helemaal zo eenvoudig nog niet. Het programma Dam 2.2 bijvoorbeeld slaagt er niet in de stand voor wit naar winst te voeren. HW). “Daarom heeft Kuyken het motief nog eens bewerkt. Hij stelt voor deze compositie op naam van mijn vader te zetten:






De bewerking van Kuyken is mooi met een mooie natuurlijke stand, iets waar mijn vader altijd erg aan gehecht was. Ik heb het eerste diagram altijd fascinerend gevonden.”

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 2 mei 2010

Hendrik Wiegersma, recalcitrante dorpsdokter in de Peel

Af en toe opruimen brengt soms verloren gewaande pareltjes naar boven. Zo heb ik gisteren een column teruggevonden van Kees Fens in de Volkskrant, voor mij de mooiste die hij ooit heeft geschreven. Onderwerp: Fens' herinneringen aan Deurne en aan de Wiegersma's.

Mijn moeder verhaalde menigmaal vol bewondering over Hendrik Wiegersma (1891-1969), kunstenaar en dorpsdokter in Deurne, die volgens de overlevering tal van wonderbaarlijke genezingen op zijn naam heeft staan en voortdurend met de autoriteiten - de pastoor en het ziekenfonds voorop - overhoop heeft gelegen. Kenmerkend is een filmpje, vermoedelijk ergens eind jaren dertig of begin jaren veertig opgenomen, waarin we de tegendraadse Wiegersma, meestal kortweg 'de Wieger' genoemd, als enige zonder hoed tussen een aantal hoogwaardigheidsbekleders de kerk zien binnengaan. Kenmerkend is ook dat pas na de hoogwaardigheidsbekleders de gewone Deurnese boeren en arbeiders (te herkennen aan de petten) naar binnen mochten. Wiegersma heeft dit beslist afkeurenswaardig gevonden.



Zoals onder andere uit de romans van Toon Kortooms naar voren komt, was Wiegersma behalve recalcitrant tevens een meer dan voortreffelijk dokter. Met glinsterende ogen vertelde mijn moeder hoe hij arme tobbers - ze kwamen uit alle windstreken - gratis genas en dit compenseerde door gezagsdragers en arrogante boeren een poot uit te draaien. Of hoe mensen al voor de helft genezen waren als hij hen met zijn imposante gestalte alleen maar op de schouders had geklopt en gezegd had dat het allemaal wel goed zou komen.
Uit andere bronnen weet ik dat Wiegersma niet te beroerd was om een placebo voor te schrijven. Wat dat betreft was hij een bekwaam navolger van de lijfarts van Napoleon III, die de vorst voor vrijwel al zijn hypochondrische kwaaltjes een en hetzelfde recept voorschreef:

R/Aq. fontis 100, illa repetita 40, eadem stillata 2, Hydrogenii protoxyd 0,030 et nil aliud 1,25

Ook bij Wiegersma kreeg de zieke soms een flesje met dit medicijn in de handen gedrukt, vergezeld van de dringende boodschap dat hij of zij beslist maar tien druppels van dit kostbare vocht per dag tot zich mocht nemen. Meer of minder kon bijzonder kwalijke, zelfs levensbedreigende gevolgen hebben. De zieke was op dat moment heilig overtuigd van de enorme geneeskracht van dit medicijn en dat feit alleen al was vaak voldoende voor een voorspoedige genezing, hoewel een vertaling van het recept van Napoleons lijfarts geen rigoureuze werking doet vermoeden:

bronwater 100, dit nog eens 40, hetzelfde druppelsgewijs 2, water 0,030 en niets anders 1,25

Wat mijn moeder meer in hem bewonderde, de genezingen of zijn recalcitrantie, is me nooit duidelijk geworden, maar ik gok op zijn anarchistische houding jegens werkelijk en vermeend gezag. Zij was namelijk met precies hetzelfde sop overgoten. Haar eerste aanvaring met het (in dit geval kerkelijk) gezag vond plaats toen zij in Helvoirt als vierjarig meisje vanwege verregaande zedeloosheid door de nonnen van school naar huis werd gestuurd: haar rok viel net niet helemaal over haar knieën. Het is tussen haar en de clerus nooit meer wat geworden.

Pareltje
De column van Kees Fens, 'De geest van de oude Peel' getiteld, is zoals gezegd een pareltje. Fens was een begenadigd schrijver, maar in dit stukje heeft hij zichzelf overtroffen, of ben ik bevooroordeeld omdat het onderwerp van zijn column me zo aanspreekt? Enkele citaten:

"Hoog te paard reed hij door het dorp, in het zwart, rijlaarzen aan, een astrakan mutsje op het hoofd. Als een vorst keek hij voor zich uit. Hij heerste over leven en dood. Hij was dokter. Als hij bij het heel kleine ziekenhuisje van zijn dorp, Deurne in de Peel, aankwam, steeg hij af, bond zijn paard aan een boom in de voortuin en schreed het klooster - bejaardenhuis - ziekenhuis binnen. In een zaaltje van dat ziekenhuis lag ik, met een gebroken sleutelbeen. Het is 1945, de oorlog was net voorbij en gewezen SS-ers werden gedwongen landmijnen op te ruimen. Ontploffingen waren de hele dag te horen.
Hij kwam binnen, gevolgd door een non. Hij had een schitterende kop, donkere ogen, in mijn herinnering, een baardje en een kleine geleerde bril op. Rusland vulde even het zaaltje.
(...) Hij moet van zware geleerde en ook zware artistieke gesprekken hebben gehouden. Hij omringde zich trouwens met kunstenaars. Zadkine kwam helemaal uit Parijs naar dat afgelegen dorp. Hijzelf schilderde even krachtig als zijn persoonlijkheid was.
(...) In 1945, in de kracht van zijn jaren, was hij al een mythe. Hij reed zelfs koninklijk op een motorfiets. In de oorlog zag ik hem rijden op een landweg, een groot roggebrood achterop. Dat moet een zieke boer hem hebben gegeven. Voor ik Deurne weer verliet, ben ik naar zijn huis gaan kijken. Het was omringd door hoge bomen; daardoor heen werden de omtrekken van een renaissancehuis zichtbaar. Hij moet zich daar graag hebben teruggetrokken. In de paar ontmoetingen heeft hij mij met diep ontzag vervuld, met een lichte angst ook."

Het huis waarover Fens schrijft is befaamd. Niet zozeer omdat er nu het museum De Wieger in gevestigd is, maar vooral omdat Wiegersma's zoon Friso, levenspartner van Wim Sonneveld, het onvergetelijk heeft gemaakt. Hij schreef op basis van het lied La Montagne van de Franse zanger Jean Ferrat (enkele maanden geleden op 79-jarige leeftijd overleden) een evergreen en gaf het de titel Het Dorp mee. In het lied spelen Deurne, het huis, zijn vader en in het bijzonder heimwee naar wat ooit was en nooit meer terug zal komen een hoofdrol. Het is Sonnevelds kroonjuweel geworden. Luister hier.

Het laatste woord is aan Fens:

"Dat oude Deurne, met veel arme huizen, een reusachtige kerk, een over het hele dorp hangende geur - brandgeur en mestgeur samen - van de Peel, boerderijen op schrale grond. Het dorp gehoorzaamde in alles aan het werk van Antoon Coolen. Ik heb van dat oude dorp en de eindeloze gronden erom heen veel gehouden, van het geluid van karrenwielen op keien, van de poffers waarmee vrouwen op zondag naar de kerk gingen, van de stilte rond het stationnetje, van de eindeloze rails die van Helmond naar Venlo liepen, door een verlaten landschap. En van mijn tante die zich in een klooster daar steeds dieper in heiligheid inspon.
(...) Mijn Deurne bestaat niet meer. Ik ben er nog eens teruggeweest. Ik leek in een lege droom te lopen. Hoor ik Sonneveld weer, dan ben ik in mijn werkelijkheid terug. En dat is ook die van de arts en schilder Hendrik Wiegersma. De zoon heeft ook de vader voor mij onsterfelijk gemaakt."

Bronnen

• H.A. Bosman-Jelgersma, Poeders, Pillen en Patiënten. Apothekers en hun zorg voor de gezondheid door de eeuwen heen, Amsterdam 1983
• Antoon Coolen, Dorp aan de rivier, 1934 (over Wiegersma’s vader, dorpsdokter in Lith en nauwelijks minder vermaard dan zijn zoon)
• Kees Fens, In het voorbijgaan. De geest van de oude Peel, in: de Volkskrant, 15 juni 2006
• Toon Kortooms, Help! De dokter verzuipt, 1968
• Toon Kortooms, Laat de dokter maar schuiven, 1975
• Toon Kortooms, Laat de dokter maar opkrassen, 1980
• www.dewieger.nl
• www.museumdedorpsdokter.nl
• www.tijkools.nl/wieger

zaterdag 10 april 2010

Oude film over D'n Atelier

Eigenlijk heb ik altijd een bloedhekel aan lopen gehad, van kindsbeen af, maar met jeremiades daarover hoefde ik bij mijn moeder niet aan te komen. Dan vertelde zij steevast het verhaal van een man die in de jaren 1910-1955 elke dag vanuit Helvoirt naar zijn werk in Tilburg liep. 's Morgens 17 kilometer heen, 's avonds 17 kilometer terug. Hij vertrok elke ochtend, weer of geen weer, rond een uur of half vier en kwam rond zessen aan, wat derhalve betekende dat hij bepaald stevig doorstapte. Hij was werkzaam bij de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen, in de Tilburgse volksmond beter bekend als 'D'n Atelier', een van de meest fascinerende bedrijven die Tilburg rijk is.

De komst van dit prachtbedrijf naar Tilburg was een uitvloeisel van de aanleg van de spoorlijn tussen Breda en Tilburg die in 1863 met de nodige feestelijkheden werd geopend. In latere jaren kwamen andere spoorlijnen van en naar Tilburg tot stand. Dat de Staatsspoorwegen (in 1917 onderdeel geworden van de nieuw opgerichte Nederlandsche Spoorwegen) uitgerekend voor Tilburg als vestigingsplaats hadden gekozen, was overigens alleszins begrijpelijk: Tilburg lag in het zuiden precies in het midden van het beoogde lijnenstelsel en de gemeente, die onmiddellijk extra werkgelegenheid rook, had maar liefst dertien hectare grond bij het nieuwe spoor in de aanbieding. In 1869 opende de werkplaats haar poorten.
Vanaf dat moment is deze exponent van de industrialisatie snel gegroeid. Begonnen met een kleine driehonderd medewerkers telde D'n Atelier begin jaren twintig al meer dan 1500 personeelsleden, onder wie dus ook de wandelaar uit Helvoirt. Vele decennia lang is D'n Atelier veruit de grootste werkgever van Tilburg geweest.
Het bedrijf is nog altijd gesitueerd aan de achterkant van het centraal station, maar ik heb me laten vertellen dat het op enig moment zal verhuizen naar industrieterrein Loven. Want die dertien hectare grond zijn al lang niet meer voldoende.

Stom toeval en puur geluk brachten mij op het spoor van een werkelijk prachtige oude film uit 1928 over D'n Atelier. Ik trof deze beelden aan op de geschiedeniswebsite van de VPRO.
Klik hier om deze film te bekijken.

Er is op internet trouwens sowieso veel audiovisueel materiaal te vinden over Tilburg en de spoorwegen. Er schijnen zelfs filmbeelden te circuleren waarin het fameuze Bels Lijntje centraal staat, maar die beelden heb ik ondanks verwoed zoeken niet kunnen vinden.
Hebt u overigens ook altijd al als machinist via het spoor van Den Bosch naar Tilburg willen reizen? Dan is onderstaande video een aanrader.

zaterdag 27 februari 2010

Eieren bedelen

Er is al veel geschreven over een eeuwenoude traditie in Helvoirt, Cromvoirt en Haaren: het paaseieren ophalen of 'eieren bedelen' op de woensdag voor Pasen, een van de weinige rituelen uit de middeleeuwen die de tand des tijds hebben doorstaan.

'Eieren bedelen' is volgens deskundigen voortgekomen uit een heidens, Germaans feest waarin de lentegodin Ostra centraal stond en is vele eeuwen geleden in de drie genoemde dorpen naadloos in het katholieke geloof ingepast.
Op de woensdag voor Pasen zat (en zit) de veertigdaagse katholieke vastentijd er bijna op. Dat betekende vroeger, toen er nog serieus gevast werd, dat vrijwel iedereen tegen een 'eierberg' aanhikte, want bij elk huis scharrelde een meute kippen rond en voor elke rechtgeaarde katholiek was de consumptie van eieren in de vastentijd taboe.
Om de mensen van die eierberg en andere gaven af te helpen, trokken de jongens van de hoogste klassen van de lagere school erop uit, zongen bij elke deur een paaseilied en roffelden daarbij met fraai besneden stokken op de grond. De tekst van het lied ging (en gaat) als volgt:

"Vrouwke, vrouwke doe oew best,
Hoal de aikes uit ut nest,
van die witte hennen,
God zal ze kennen,
Eén ai is geen ai,
Tweej ai is un half ai,
Drie ai is een poasai
Van die wit en van die zwart
Gif van elk henneke wat

Gaven de bewoners geen sjoege, dan werd het stokgeroffel flink opgevoerd (waarbij de voordeur soms niet werd gespaard) en persten de jongelui er nog een venijnig additioneel coupletje uit:

Er is een goatje in de deur
Doar kekt unnu gierige duvel deur...

Maar dat laatste kwam zelden voor: binnen de kortst mogelijke tijd zou immers het hele dorp weten waar de vrekken woonachtig waren. Meestal kon de 'Judas', een jongen die de 'Judaszak' meevoerde waarin de eieren en soms het geld werden bewaard, zijn mand of tas naar voren steken om de gulle gaven in ontvangst te nemen (zie foto).

Er is, zoals aangestipt, heel wat over dit gebruik geboekstaafd. Maar een niet onbelangrijk detail heb ik in al die geschriften nooit aangetroffen (ik kan en mag er, als getogen Helvoirtenaar, over meepraten). Het gegeven namelijk dat dit 'eieren bedelen' maar al te vaak op de gemeentelijke grenzen van Helvoirt met Cromvoirt en Haaren tot een enorme veldslag leidde. Het ging dan om de boerderijen op de gemeentegrens en de vraag onder welke gemeentelijke 'jurisdictie' die vielen. In heel wat gevallen werden daarbij niet alleen de stokken maar ook de eieren in de strijd geworpen. Gehavend, met bloedneuzen, blauwe ogen, schrammen en gescheurde lippen kwam het spul dan tegen etenstijd weer thuis om daar kond te doen van de heroïsche strijd tegen die godverlaten boerenpummels uit 'Hoare' en 'Krommert'.
Op 31 maart is het weer zover.

Foto: © Het Zuiden, 1957