zondag 31 maart 2013

Vrolijk Pasen!

Onderstaand werkstukje is bepaald geen zacht eitje. Het probleem is opgetrokken vanuit het slagmotief dat na 6x39 het bord siert. Een redelijk krankzinnig thema dat helaas partijachtige aanvangsstanden in de weg staat. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben op deze kouwe paasdag. De gemakzuchtigen onder ons hoeven maar op 'auto' te klikken.


dinsdag 12 maart 2013

Minuscule dammotiefjes en een paar windbuilen

Het kleinst mogelijke damprobleempje is gemaakt door R.C. Keller (zie het eerste diagram). Normaal gesproken zou aan zo'n elementair stellinkje geen auteurschap verbonden mogen worden, maar dit een-om-eentje is bijzonder genoeg om er het etiket 'Keller' op te plakken: wit wint altijd, het maakt niet uit wie als eerste mag zetten. Keller (1905-1981) was een grootheid in de damwereld en auteur van de enige bestseller over het damspel. Wat overigens allesbehalve betekent dat hij ook een aardig persoon is geweest. Dat was hij niet. In geen enkel opzicht. Eigenlijk was hij maar een paar haartjes beter dan Piet Roozenburg, ook al zo'n arrogante vlegel - zeker als hij weer eens te diep in het glaasje had gekeken. Het waren de absolute windbuilen van de nationale dammerij.

R.C. Keller
Hoe het ook zij, nevenstaand diagrammetje geniet terecht enige faam. Als zwart mag zetten wordt hij steeds genadeloos in een verliezende oppositie gedreven. Als wit aan zet is zit de oppositie tegen, maar wint hij dankzij de regel van de vierde rij. Hij loopt met de grootst mogelijke boog om de zwarte schijf heen naar 4 of 5 en kan vervolgens nog net voorkomen dat zwart doorstoomt naar dam.

Alle navolgende motiefjes zijn tot stand gekomen in Paramaribo Noord, in de Granietstraat om precies te zijn. Een betere en meer inspirerende plek is nauwelijks denkbaar. Om zeven uur in de ochtend neigde de temperatuur al loompjes naar een aangename 28 graden, bouwden de grietjebies in de manjabomen hun slordige nestjes en nipte ik aan mijn koffie. Magnetisch dambordje op tafel natuurlijk. Het zijn, al zeg ik het zelf, best subtiele stukjes met soms geniepige nevenvariantjes. Maar de ervaring leert dat dit soort 'klein spul' al in een zeer ver verleden is ontdekt. Probleem is helaas dat er geen goede motievenverzameling bestaat, laat staan een ordentelijke database. Mijn vraag aan de materiedeskundigen luidt dan ook: zit er wellicht toch iets origineels bij? 


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zaterdag 19 januari 2013

Enkele levensvragen

Een gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden. Ik heb wat van die vragen (waarop volgens mij nauwelijks een antwoord mogelijk is) verzameld en leg ze hierbij graag aan de lezer voor.
  • Waarom starten we eerst de auto en doen dan pas de gordel om?
  • Waarom trekken mannen hun trui uit door energiek de kraag te pakken en dan het hele geval over hun hoofd te sjorren, terwijl vrouwen hun armen voor hun buik kruisen, de onderkant van de trui vastpakken en zo de trui over hun hoofd halen? Het feit dat vrouwen borsten hebben en mannen doorgaans niet kan niet de reden zijn. Ook kleine kinderen doen het zo.
  • Toen ik een manneke was van een jaar of vijf hield mijn vader enkele ganzen die de prettige eigenschap hadden dat zij joekels van bijzonder smakelijke eieren konden leggen. Soms zaten daarin twee dooiers, wat mij als kind meteen tot de gedachte bracht dat er uit zo'n ei dan ook ook twee gansjes zouden moeten kunnen komen. Maar is dat wel zo?
  • Waarom kiezen mannen altijd voor een vrouwelijke TomTom-stem, terwijl zij, geen enkele man uitgezonderd, bijzonder weinig fiducie hebben in het oriëntatievermogen van de vrouw?
  • Waarom stinken eigen scheten niet?
  • Waarom bekijken we na het snuiten het resultaat in de zakdoek?
  • Waarom legden heel veel componisten, met name in de negentiende eeuw, vroegtijdig het loodje? Zie het weinig vreugdevolle lijstje:
Henry Purcell 1659-1695
Giovanni Pergolesi 1710-1736
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Carl Maria von Weber 1786-1826
Franz Schubert 1797-1828
Johann Strauss sr. 1804-1849
Felix Mendelssohn-Bartholdy 1809-1847
Fr
édéric Chopin 1810-1849
Robert Schumann 1810-1846
Georges Bizet 1838-1875
Modest Moessorgski 1839-1881
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893
Gustav Mahler 1860-1911
Claude Debussy 1862-1918
George Gershwin 1898-1937
Uw antwoorden worden met spanning ingewacht!

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 16 december 2012

Voor het geval we er dan nog zijn, bijzonder fijne kerst toegewenst!


 

Tsja, waarde lezer, we mogen onze ogen niet sluiten voor de realiteit. Er staan ernstige dingen te gebeuren. Tenminste, als we de Maya-malloten mogen geloven. Ik heb niet zo'n fiducie in die kalender en vertrouw erop dat wij, onderstaand weerbericht ten spijt, aanstaande zaterdag nog steeds deze aardkloot  zullen bevolken. Mocht het onverhoeds niet zo zijn, dan ontmoeten we elkaar volgende week op een van de barkrukken in de kroeg "Het Hemeltje", waar nog gewoon binnen mag worden gerookt.


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 2 december 2012

Rare kostgangers in de kerststal (en in Rome)

Begin november liet het Museum Catharijneconvent in Utrecht trots weten dat het zijn kerststal – de enige uit de achttiende eeuw in Nederland – heeft weten uit te breiden met maar liefst 29 nieuwe figuren en dat daarmee het totaal op meer dan 100 beelden is gekomen. Het is in en rond deze bijzondere kerststal, vermoedelijk de grootste en oudste ter wereld, dus een drukte van belang. Het museum heeft ongeveer een half voetbalveld nodig om al dit fraais op te kunnen stellen. De kerststal met al die kostelijke beelden en een heleboel meer is in het Catharijneconvent te bezichtigen tot 13 januari 2013.

Vreugde en vrolijkheid
Paus Benedictus XVI schudt ongetwijfeld bedroefd het hoofd als hij, maar dat is tamelijk onwaarschijnlijk, nog eens de moeite neemt om persoonlijk de mooiste kerststal ter wereld te aanschouwen. In zijn laatste boek heeft hij namelijk een aantal zeer opmerkelijke dingen over de kerststal geschreven. Het stond op 20 november en de dagen daarna in de kranten. Ik ben er niet vrolijker van geworden. Sterker nog, toen ik het las kwam een onaardige maar gerechtvaardigde gedachte in me op: waarom zijt gij, waarde paus, toch zo’n rechtzinnig en benepen theoloogje dat elke vreugde en vrolijkheid rond het kerstfeest probeert weg te schrappen?

Mythes
Er stonden helemaal geen os en ezel in de kerststal, schrijft Benedictus in dat boek. Kamelen of andere beesten trouwens ook niet. De drie wijzen uit het Oosten dan? Helaas, zet Caspar, Balthasar en Melchior maar weer in de doos en breng ze terug naar de zolder. Ook de schitterende ster aan de hemel die de drie wijzen de weg naar de kribbe heeft gewezen moeten we maar vergeten. We doen er op gezag van de paus verder beter aan niet te geloven dat engelen de geboorte van Christus zingend hebben verkondigd aan de herders. Er werd niet gezongen, aldus de paus, de engelen zeiden het gewoon. Er waren dus wel degelijk engelen bij de geboorte van Jezus. Het is dan ook theologisch verantwoord om het engeltje bovenin de nok van de kerststal te hangen en er een paar herders bij te zetten. Pauselijk goedgekeurd. Maar een os en een ezel, nee, die horen niet thuis in de stal.

Treintjes
We mogen hopen dat Benedictus XVI niet op de hoogte is van wat links en rechts op deze aarde allemaal in de kerststal wordt gezet. In Costa Rica bijvoorbeeld staat de stal vol tropische bloemen en vruchten, in Peru worden nagemaakte lokale beroemdheden bij de kribbe gezet en in Venezuela worden de stallen verfraaid met stripfiguren zoals Donald Duck en met treintjes. In de Verenigde Staten mag de Little Drummer Boy niet ontbreken en in Nieuw-Zeeland is een kerststal pas een kerststal als ook een brandweerauto tussen de herders staat te fonkelen.

Geur van heiligheid

Het summum heb ik tot het laatst bewaard: in sommige Zuid-Europese landen siert een wel heel buitenissig beeld de stal. Het is het beeld van een man of vrouw die zijn of haar behoefte zit te doen. Daarmee wordt symbolisch weergegeven dat wat de natuur ons schenkt ook weer moet worden teruggegeven. In het boek van Benedictus wordt over deze rare kostganger niet gerept, maar het zou me niks verwonderen als de opperprelaat in Rome de geur van heiligheid graag op een andere manier gesymboliseerd had willen zien. Het zij zo.



•Kerststal Catharijneconvent (foto: Museum Catharijneconvent Utrecht) 

(Gepubliceerd in Mooi Meegenomen, december 2012)


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 25 november 2012

Probleemrubriek Hoofdlijn 169

Over enkele dagen valt Hoofdlijn 169 in de bus van degenen die zo verstandig zijn geweest een abonnement op dit kwalitatief hoogstaande dammagazine te nemen. Een van de vaste onderdelen - al bijna 25 jaar - is mijn probleemrubriek. Zes keer per jaar worden twee prijzen van 37,50 euro uitgekeerd aan de oplossers die op dat moment de hoogste treden op de 'ladder' hebben bereikt.
Interesse? Surf dan meteen naar de website van Hoofdlijn, neem een abonnement en krijg er nog een prachtboek bij ook!

Hieronder bij wijze van voorproef het dozijn problemen dat de oplossers in het komende nummer voor hun kiezen krijgen. Er zitten enkele ware kunststukjes tussen.



Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

woensdag 14 november 2012

Polycarpus, Guinefort van Bourgondië en Sint Nicolaas

In mijn familie waart een hardnekkig verhaal rond. Het gaat over ene oom Alphons die in 1920 vader was geworden en dat uitbundig had gevierd. Te uitbundig. De volgende ochtend was hem bij de ambtenaar van de burgerlijke stand glad ontschoten dat hij zijn zoontje Laurentius wilde noemen. “Noem hem dan maar naar de heilige van gisteren”, zei de dienstdoende ambtenaar tegen mijn wankelmoedige oom. De man had haast omdat de kegel van Alphons niet te harden was en hij bovendien zijn koffiepauze in rook op zag gaan. Dat ‘gisteren’ was 23 februari. En zo deed de kleine Polycarpus zijn intrede in de familie. Ze zijn hem toen hij wat ouder werd Pol gaan noemen, dat was nog enigszins dragelijk.

Hond
Natuurlijk weten wij allemaal wie Polycarpus was. Er gaat geen dag voorbij of hij is wel even in onze gedachten geweest. Maar mocht dit onverhoopt niet zo zijn: de heilige Polycarpus (69-156), onderricht door niemand minder dan apostel Johannes, werd vanwege zijn geloof levend verbrand. Dat was althans de bedoeling, maar het vuur slaagde er wonder boven wonder niet in zijn lichaam te verteren. Daarom werd de arme man alsnog onthoofd. En wat later heilig verklaard.
Heiligverklaringen waren tot na de Middeleeuwen aan de orde van de dag. Hoeveel het er zijn geweest is niet bekend, maar het zijn er in ieder geval vele tienduizenden. Omdat onze verre voorouders en hun prelaten niet zo nauw keken – zelfs ordinaire bisschoppen mochten toen nog heiligverklaringen afgeven - zijn ook tal van obscure figuren gecanoniseerd, met als absoluut dieptepunt in de twaalfde eeuw de heiligverklaring van Guinefort van Bourgondië. Guinefort was een hond… Tegenwoordig gaat dit proces een stuk moeizamer, de regeltjes zijn aanzienlijk aangescherpt. Volgens het canoniek recht van nu zijn voor een heiligverklaring twee aantoonbare wonderen nodig. Een en ander wordt in Rome bewaakt door een handvol bureaucraten dat de godganse dag met veel passie aangedragen mirakelen onderuit zit te schoffelen. Tot ongenoegen van de gemiddelde Tilburger die terecht niet begrijpt waarom zijn Peerke nog steeds niet is heilig verklaard.

Bierpompen

Wij hebben er geen fiducie meer in, in dat onafzienbare legioen heiligen, Sint Nicolaas en enkele anderen uitgezonderd. We geloven het wel, we laten Allerheiligen maar al te graag aan ons voorbijgaan. Hooguit worden hier en daar nog Allerheiligenmarkten gehouden, zoals de markt in het Groningse Winschoten. Die trekt elk jaar met gemak honderdduizend bezoekers, aangetrokken door volstrekt wereldse zaken als een kermis, een jaarmarkt en een heleboel bierpompen. De geur van heiligheid heeft er plaatsgemaakt voor die van frites, bockworsten en hamburgers. Zelfs de overheid is in deze ontheiligende maalstroom meegezogen: in 1960 besloot ze, anders dan in de ons omringende landen, een streep te halen door de vrije dag op Allerheiligen. Ook dat nog.
Gelukkig hebben we nog het Eenheiligefeest. Op 5 december. Ik verheug me erop.

Gepubliceerd in Mooi Meegenomen, oktober 2012.

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 4 november 2012

Bladprobleempje. Of toch niet?

Zelfs zes om zes-probleempjes kunnen nog knap lastig zijn. Het materiaal is dusdanig uitgedund dat er altijd wel ergens een geniepig remisevariantje naar boven kruipt. Hier is er een ter oplossing, hedenmiddag vers gebakken. Wit speelt en wint. Ik heb geen ontsnapping voor zwart kunnen ontdekken en - net zo belangrijk - ook geen bijoplossing voor wit, maar uiteraard laat ik het finale oordeel graag over aan de deskundige bezoekers.
De oplossing geef ik niet, maar natuurlijk ben ik best bereid even te laten zien hoe het niet moet. Zo faalt 48-43 (25-30) 29-24? op (14-20!) 24x35 - naar 13 slaan komt in grote lijnen op hetzelfde neer - (22-27) 15x13 (27x47) 43-38 (47-36) 13-8 (36-27) met remise. Ook 48-43 (25-30) 43-39 (30-35) 32-28 (22-27) 39-34 loopt na (19-24) 29x9 (4x13) 15x4 (35-40!) uit op een fiasco. Probeert wit het met 42-37 (25-30) 29-24 (30-35) 24x13, dan is het een hopeloze onderneming om na (14-19) 13x24 (10-14) nog te winnen, de plusschijven ten spijt. Hoe het dan wel moet? Dat mag nu eigenlijk geen buitensporige krachtsinspanning meer kosten.

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

maandag 8 oktober 2012

Flynts eerste peuterspeelzaaldag

Aanschouw, waarde lezer, dit tafereel. Zie hoe kleinzoon Flynt op het punt staat een grote stap te zetten in zijn nog prille leventje van twee jaar en ruim twee maanden. Nog even en hij schrijdt de peuterspeelzaal binnen, de opmaat tot een lange onderwijskundige carrière.

Uiteraard is Flynt goed voorbereid. In zijn rugzakje zit een heuse broodtrommel met daarin enkele boterhammen, fruit en iets lekkers. Daarnaast zitten er ook nog wat kleinigheden in de rugzak, maar die zien Flynt en ik als privé-spulletjes waarover wij geen nadere mededelingen doen. Dat u deze blog leest stellen wij natuurlijk zeer op prijs, maar dat betekent niet dat wij voortdurend open kaart hebben te spelen. Flynt en ik zijn wel wijzer. Het is maar dat u het weet.

Konkoe
Hij is druk bezig de wereld te ontdekken - er ontsnapt niets aan zijn aandacht - en te verkennen tot hoever hij te ver kan gaan. Van een echte omnivoor ontwikkelt hij zich tot iemand met een specifieke smaak, waarin naar ik vrees een duidelijke voorkeur voor de vette hap naar voren komt. Hij begint te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit en welke reacties hij kan verwachten op bepaalde handelingen. Het valt bijvoorbeeld niet mee om in het bezit te komen van een lange vinger, maar de strategie die Flynt daartoe heeft uitgedokterd werkt feilloos.
En dan is er zijn vocabulaire. Momenteel omvat zijn woordenboekje 68 woorden. Elke dag komen er wel een paar bij, vaak echte woorden, maar zo nu en dan ook eigen vondsten van een bijzonder kaliber. Een lijstje:

• Ak (jas)
• Akka (fiets)
• Ap (auto)
• Khie (honderden betekenissen)
• Naan (eten)
• Njè (fopspeen)
• Woe (worst)
• IJffs (vuilnisauto en soortgelijke rijdende bakbeesten)

Hij slaagt er steeds beter in duidelijk te maken wat hij wil. Maar soms lukt het niet. Dan kruipt hij verontwaardigd en onbegrepen met konkoe, zijn knuffelbeer, op de bank. Konkoe begrijpt hem altijd.


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zaterdag 29 september 2012

Bijzondere foto’s van Lewis Hine

Tot 6 januari 2013 loopt in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam een prachtige overzichtstentoonstelling over het werk van de Amerikaan Lewis Hine (1874-1940). Hine was bij uitstek een sociaal bewogen fotograaf die met zijn oeuvre het lot van de mens in het algemeen en dat van de arbeider in het bijzonder wilde verbeteren. Zijn beroemdste foto’s schoot hij tijdens de bouw van het bijna 400 meter hoge Empire State Building in New York. Deze foto’s zijn legendarisch. Bovendien bezorgen ze mij met mijn acrofobie spontane, nauwelijks te stoppen transpiratiebuien. Geen wonder dat de bouwbedrijven indertijd rekening hielden met minstens één dodelijk ongeval per dag. Het leven van de arbeider was snoeihard en iets als een arbeidsomstandighedenwet was nog ver weg. Ziet en huivert (klik op de foto's voor een optimale kwaliteit)...




Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

woensdag 22 augustus 2012

Tilburgse moorden in de negentiende eeuw

Criminologen hebben de naam over een meer dan vaardige pen te beschikken. Een aantal staat zelfs onweersproken hoog aangeschreven in de Nederlandse literatuur. Schrijvers zoals Willem Hendrik Nagel (1910-1983, beter bekend als J.B. Charles), Herman Franke (1948-2010), Catharina Irma Dessauer (1931-2002, beter bekend als Andreas Burnier) en de ongelooflijke sombere Arnold Aletrino (1858-1916).

Klaas de Graaff (1939) is ook criminoloog en schrijver. Hij heeft een zevental boeken op zijn naam staan, waaronder ‘Moorddadig Brabant. Moord en doodslag in de 19e eeuw’. Wat hij in dit boek behandelt is ongemeen interessant. Maar het boek, dat overigens alleen nog zo nu en dan op de tweedehandsmarkt wordt aangeboden, is daarmee nog geen hoogvlieger. De vormgeving is een aanfluiting van de eerste orde, het zetwerk lijkt ontsnapt aan een vooroorlogse typemachine en De Graaff zet de eerdergenoemde traditie onder criminologen bepaald niet voort. Hij schrijft abominabel. Alleen al de inleiding sleept zich voort van anakoloet naar anakoloet.
Paar voorbeelden. Schrijvend over de uitvinder van de guillotine meldt De Graaff:

“… genoemd naar de uitvinder ervan, een arts die deze valbijl ontwierp uit humanitair oogpunt en tot in de twintigste eeuw zijn functie in Frankrijk bleef vervullen…”

De Graaff wil ons natuurlijk laten weten dat de guillotine tot in de twintigste eeuw in Frankrijk werd ingezet, maar wat hij schrijft is dat arts en uitvinder Guillotin na 1900 nog in volle glorie actief was. Dat is opmerkelijk voor een man die in 1814 aan miltvuur was overleden. Wat verderop lezen we, nog steeds over de guillotine:

“… In de ogen van onze eerste Oranje-vorst kon dit apparaat de toets der kritiek echter niet doorstaan in tegenstelling tot België die deze na 1830 weer invoerde…”

De Graaff probeert uit te leggen dat onze Willem I geen brood zag in de valbijl, maar dat ze daar in België anders over dachten. Wat hij schrijft is echter dat Willem I niks wilde weten van de guillotine maar wel gecharmeerd was van België. Wederom opmerkelijk: in 1830 hadden de Belgen zich van de Nederlanden afgescheiden en dat was voor Willem I aanleiding geweest om vanaf dat moment tot zijn dood gepassioneerd op de zuiderburen af te geven. En trouwens, ‘België die deze’ had moeten zijn: ‘België dat dit’.
Het boek wemelt van dit soort grammaticale ontsporingen. Het is niet anders. De inhoud maakt gelukkig veel goed. Ik beperk me tot de moorden in het 19e eeuwse Tilburg.

Drinkebroer

Op 26 mei 1840 heeft Anna van der Sijlen schoon genoeg van haar vent Francis van den Bosch. Zij steekt hem overhoop met een mes. Vijftien jaar gevangenisstraf wordt haar deel. Daags na tweede kerstdag 1846 overlijdt zij op vijftigjarige leeftijd, een gebeurtenis die volkomen is opgelost in de mist der geschiedenis.
Op 1 februari 1848 wordt in de wijk ‘Oel’ (Oerle) in Tilburg het lijk gevonden van een vrouw. Het blijkt Hendrica van Abeelen te zijn, een vrouw die volgens de overlevering Vlaams sprak en los van zeden was. De mededeling over haar Vlaamse tongval wekt bevreemding: zij was in 1822 in Udenhout geboren, een behoorlijk eind van het Vlaamse taalgebied. De moordenaar, Jan van Gorp, een dikke vent vol puisten, wordt tot 15 jaar veroordeeld en overgebracht naar de beruchte gevangenis in Woerden. Meer dan dertig procent overlijdt binnen de kortste keren in dit inferno, waarin heden ten dage een aardig restaurant gevestigd is. Ook Van Gorp legt er in 1853 het loodje.
Vroeger moet er in Tilburg een Café Broeks zijn geweest. Eind augustus 1878 zoekt de zatlap Jacob Muijs daar ruzie met zo ongeveer iedereen, onder wie Theodorus Pistorius. De achttienjarige Thomas Maes, een ondermaats ventje van net iets meer dan anderhalve meter, komt zijn vriend Theodorus te hulp en steekt Muijs met een mes in zijn bil en dij. Het lijkt niet veel om het lijf te hebben, totdat de wonden na ruim een maand behoorlijk beginnen op te spelen. Muijs besluit dan alsnog aangifte te doen. Maes wordt veroordeeld tot twee jaar in de Rotterdamse jeugdgevangenis. Dronkenlap Muijs sterft op 16 oktober 1878 aan de gevolgen van gangreen.

Hooivork
Kroegen waren in die tijd poelen des verderfs. Wij verplaatsen ons naar 19 december 1880 en naar Herberg de Baak. Jan Baptist Oerlemans (30) zit daar met zijn neef F. Janssen al de hele avond onbedaarlijk te zuipen. Als ze de kroeg verlaten, krijgen ze ruzie met Piet Meeuwissen. Oerlemans pakt een hooivork en plant die in het lijf van Meeuwissen. Dokter Kieckens komt te laat om alle gaten te dichten. Enkele maanden later wordt Oerlemans veroordeeld tot 10 jaar. Het was de zoveelste veroordeling op een rij en ook na zijn vrijlating in 1891 zouden er nog heel wat volgen. Oerlemans’ laatste veroordeling dateert van juni 1904: weer de bak in vanwege mishandeling van onbezoldigd rijksveldwachter Johannes van Vught.
Op 7 februari 1894 alarmeert Catharina van Vught (36) de politie. Haar man Johannes Cornelis Verkuylen (34) is dood. Hij is daags ervoor om zes uur ’s avonds met de hondenkar naar Frans Oppermans getrokken om daar vlees te kopen. Maar in de Lange Nieuwstraat had hij ruzie gekregen met de notoire vechtersbaas Piet de Bruijn die hem ernstig had toegetakeld. Johannes overlijdt kort daarna aan zijn verwondingen. De Bruijn wordt veroordeeld tot zes jaar. Opmerkelijk mild voor een man die al drie keer eerder veroordeeld was voor ernstige mishandeling.

Interessante kost, zorgvuldig bij elkaar geharkt door criminoloog De Graaff. Wat jammer dat het allemaal zo houterig en beroerd uit zijn pen is gevloeid.

Bron: Klaas de Graaff, ‘Moorddadig Brabant. Moord en doodslag in de 19e eeuw’, Eindhoven z.j. (2000), 147 pagina’s. Uitgegeven door Kempen Uitgevers. ISBN 90 66571 71 3.

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zondag 19 augustus 2012

Dirk de Ruiter: een bijna negentigjarig fenomeen

Voor me ligt een stapeltje brieven van Dirk, allemaal handgeschreven en boordevol gestempelde diagrammetjes in verschillende formaten. De eerste dateren uit het midden van de jaren zeventig, de laatste van enkele jaren geleden. Het zijn de stille getuigen van een vijfendertigjarige bilaterale geschiedenis, of beter: een unilaterale geschiedenis. Dirk schreef brieven, ik dankte hem hartelijk voor zijn noeste arbeid als ik hem ergens tegen het lijf liep, meestal op een reünie van de KVD.

Ik was (en ben) geen brievenschrijver, aan de andere kant is Dirk op zijn beurt consequent en van harte om het digitale tijdperk heengelopen. Wanneer ik hem ontmoette was hij steevast de hartelijkheid zelve, maar nu en dan meende ik toch onder die borstelige wenkbrauwen iets van een mild verwijtende blik te bespeuren. En gelijk had hij. Dirk, jongen, ik heb je in dit opzicht verwaarloosd.

Medialandschap
Als de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw op één vlak aanzienlijk kleurrijker zijn geweest dan het huidig tijdsgewricht, dan was dat het medialandschap in de damwereld. We kenden Het Damspel (dat overigens uitgerekend in deze periode door weinig doordachte besluiten binnen de KNDB aardig in de versukkeling was geraakt) en De Problemist; daarnaast verschenen populaire, inmiddels ter ziele gegane tijdschriften zoals Dam Eldorado, Het Nieuwe Damspel, De Vriendendamkring en vanaf 1984 het majesteitelijke Dammen van Ton Sijbrands. En dan was er het recalcitrante, bijzonder lezenswaardige De Brouwerij onder leiding van Herman van Westerloo, Herman Groeneveld en de in 1994 op slechts 49-jarige leeftijd overleden Willem Jurg. Ik vrat dit blad om drie redenen: de vaak hilarische verhalen van Van Westerloo en Jurg, de eindspelrubriek van Johan Bastiaannet en de onregelmatig verschijnende artikelen van Dirk over, uiteraard, de damproblematiek.
In 1977 werd De Brouwerij omgezet in DB Magazine. Een van de redenen was de verwarring die de oude naam kennelijk voortdurend met zich meebracht, een andere lag in het gegeven dat het de nederige status van clubblad van het Amsterdamse VAD al lang ontstegen was en landelijke bekendheid genoot. Samen met Piet Lauwen mocht ik de probleemrubriek in dit blad verzorgen.
Vanaf het begin van de jaren tachtig kachelde het blad in kwaliteit langzaam maar zeker achteruit. Op het laatst was het in feite een tweemanszaak: het werd volgeschreven door Willem Jurg en door in het bijzonder de damjournalist Jan de Kluijver. Een opmerkelijk man, die De Kluijver. Hij was, na een rijk damleven, door zijn ontembare liefde voor de fles aan de zelfkant van de maatschappij terechtgekomen. Daar had Willem Jurg hem opgeraapt en in de vorm van een redacteurschap nog enig zelfrespect meegegeven. Met problematiek had De Kluijver overigens net zo weinig affiniteit als - laat ik eens een knuppeltje in het hoenderhok gooien - Piet Roozenburg met elegante omgangsvormen. Als ik me niet vergis is De Kluijver in 2001 in volstrekte eenzaamheid gestorven. DB Magazine was geruime tijd daarvoor al, in 1984, van het toneel verdwenen.

Motieven
In mei 1988 lanceerden Herman van Westerloo, Harm Wiersma en Nico Leemberg het blad Hoofdlijn dat nog altijd vooral onder partijspelers gretig aftrek vindt. Vanaf het allereerste moment is Dirk vaste leverancier geweest van vaak uitgesproken kunststukjes voor mijn probleemrubriek in dat blad. Het moeten er alles bijeen honderden zijn geweest waarvan minstens de helft was gefundeerd op nieuwe motieven. In dat opzicht beschikt Dirk over een grenzeloze creativiteit. Geen twijfel mogelijk dat hij alleen al met zijn motiefvondsten een volstrekt unieke positie inneemt in de damproblematiek. Een geliefd thema van Dirk is daarnaast het damoffer.
Voor deze bijdrage heb ik alle nummers van Hoofdlijn doorgenomen en daaruit een dozijn problemen van Dirk opgediept die stuk voor stuk herpublicatie verdienen. Ik had dit aantal trouwens moeiteloos kunnen vervijfvoudigen, want Dirk is een fenomeen, een man die mag worden gerekend tot de allergrootste broeders in de kunst.

1) 12 (18) 471, 31, 27, 493, 48, 3, 22, 37, 37 (22) 32. Een verrukkelijk bloedbad en ook nog eens lastig op te lossen vanwege de talrijke dwaalsporen die stuk voor stuk in remise verzanden. Zo lijkt 34, 483, 12 (18) 16, 5 (34, 40) 14 (38) 22, 3 (42) 20 (48) 25 heel wat, maar het is niet te winnen. Hoofdlijn 12, mei 1990.



2) 21, 16, 7, 2, 44, 3 (317) 30 (46, want op (24) volgen de mokerslagen 42 en 10), 42, 10, 47. Wat een heerlijk motief! En let ook op de wijze waarop wit met een paar linke zetjes ineens zeeën aan vrije tempo’s wint. Hoofdlijn 14, sept.1990.





3) 33, 29, 282, 3, 6, 32, 33, 43, 44, 5. Een dijk van een stand en een daverend damoffer juist op het moment waarop de toeschouwer zich verbijsterd afvraagt waar het in hemelsnaam naartoe moet. Hoofdlijn 24, mei 1992.





4) 26, 44, 41, 33, 2 (48) 37, 37. Ongecompliceerd buitelwerk. Hoofdlijn 33, nov. 1993.






5) 12, 5 (19) 14, 41 (20, 42) 47 (48) 41, 14, 35. Wederom zo’n mooie motiefvondst. Opmerkelijk is natuurlijk de bijzondere wijze, zeker gezien de aanvangsstelling, waarop Dirk de eindslag 15x35 voor elkaar krijgt. Daarvoor moest eerst een witte schijf naar 15 worden gebracht. Dirk realiseert dit huzarenstukje door dwang in het maximotief. Hoofdlijn 40, jan. 1995.


6) 9, 37, 4, 36 (21, 12, 13) 4 (30, 24) en nu het grandioze 29!! (een zet waarvan behalve Dirk bij mijn weten alleen A. Moiseev zich eens heeft bediend) (32) 10 en de rest is gesneden koek. Hoofdlijn 44, sept. 1995.




7) 33, 43, 7, 1, 30, 45, 34, 24. Kort maar zéér krachtig. Hoofdlijn 50, sept. 1996.







8) 23, 9 (4x13A) 20, 18, 2 (30, 50) 49, 27 (45) 40, 27. We vallen van de ene verbazing in de andere. Een grootse bewerking op een poepmoeilijk motief. A. (18x) 2 (3), een verrassend trapje terug, maar niet voldoende voor de remise. Hoofdlijn 63, nov. 1998.



9) 43, 45, 272, 21, 34!!!, 5, 49, 40, 17, 17 (21, 7) 21 met een bijtrekkertje. Godallemachtig, wat een juweel! De zet 34 is van een onaardse schoonheid: nog nooit zo’n mooie gezien. Hoofdlijn 64, maart 1999.



10) 227, 6, 34, 32 (49) 44, 20, 1, 45 (29, 14, 14) 12 met een bekend afspel. Humor van de bovenste plank. De slag 45x1 is al zo’n tienduizend keer toegepast, maar de omgekeerde slag 1x45 over exact dezelfde stukken, voor zover ik weet, nog nooit. Een bijzonder waardige manier om het nieuwe millennium in te luiden. Hoofdlijn 70, jan. 2000.
Maar... Joost de Heer geeft terecht als commentaar dat wit na 16x43 helemaal niet meer kan winnen. Doodzonde! Wie zet zich aan een reddingsactie?



11) Aanschouw het meest krankzinnige motief ooit: 194 (10x19) 11, 35x24! Zwart heeft nu niet beter dan in arren moede naar dam te sukkelen: (50) 372!, 44, 29, 29! Hoeveel problemen zouden er zijn waarin de eindslag 47x29 over een zwarte dam op 42 voert? Hoofdlijn 82, jan. 2002.




12) 18 (8, 37, 48, 33) 38, 38! Mijn commentaar destijds: “Schrijf een probleemwedstrijd uit op het thema 47, d. 21/16, d.33 met wit aan zet . Hoon en gramschap zullen u ten deel vallen.” Hoofdlijn 100, jan. 2005.





Gepubliceerd in De Problemist, augustus 2012. Surf voor een proefnummer of abonnement naar de website in aanbouw.
Foto: Siep Korteling

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

woensdag 18 juli 2012

De schoonheid van een dolle toren

Een van de boeiendste schrijvende schakers is zonder twijfel Tim Krabbé. Hij heeft prachtige boeken geschreven over het schaakspel, zoals Nieuwe Schaakkuriosa (1977) waarin humor wordt gecombineerd met de wonderlijkste gebeurtenissen en buitenissigheden op de 64 velden. In dit boek, dat mij na aan het hart ligt, staat een uitvoerig verhaal over misschien wel het krankzinnigste thema in de schaakproblematiek na de nog idiotere Babson task: de dolle toren. Zie het diagram waarop een inmiddels wereldberoemde vondst van Krabbé staat afgebeeld.

Wat is er aan de hand? Zwart staat natuurlijk volkomen verloren. Maar als hij erin zou slagen om zijn toren te verspelen, blijkt de stelling plotseling pat te zijn. Zonder de toren (en het miezerige pionnetje op h2) kan zwart immers geen kant meer op zonder zichzelf schaakmat te zetten. Pat en remise dus. De zwarte toren klimt op elke zet dan ook schaamteloos op de rug van de witte koning, maar die is er uiteraard niet toe te bewegen de toren de nek om te draaien. Toch slaagt wit er uiteindelijk in de toren van zich af te schudden en te winnen. Hoe dat moet? Zo:

1.Pe2 h1D+ 2.Lxh1 Ta1+ 3.Kc2 Tc1+ 4.Kd3 Td1+ 5.Ke4 Td4+ 6.Ke5 Td5+ 7.Ke6 Td6+ 8.Kf7 Tf6+ 9.Ke8 Tf8+ 10.Ke7 Te8+ 11.Kd6 Te6+ 12.Kc5 Te5+ 13.Kc4 Te4+ 14.Kc3 Txe3+ 15.Kd4 Td3+ 16.Kc5 Td5+ 17.Kb4 Tb5+ 18.Kc4 Tb4+ 19.Kd3 Td4+ 20.Kc2 Td2+ 21.Kb1 Tb2+ 22.Kc1 Tb1+ 23.Kd2 Td1+ 24.Ke3 Td3+ 25.Kf2 Txf3+ 26.Ke1 Tf1+ 27.Kd2 Td1+ 28.Kc3 Td3+ 29.Kc4 Tc3+ 30.Kd5 Td3+ 31.Kc6 Td6+ 32.Kb5 Tb6+ 33.Kc5 Tb5+ 34.Kd6 Td5+ 35.Ke7 Te5+ 36.Kd7 Td5+ 37.Lxd5! Adembenemend!

Krabbé heeft over deze compositie (en andere) ook in een weblog interessante sporen nagelaten. Klik hier.

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

zaterdag 16 juni 2012

vrijdag 18 mei 2012

Ontsnapping van Napoleon op het schaakbord

De wereld van de schaakproblematiek is bijzonder boeiend, al was het alleen maar vanwege de prachtige namen die aan de probleemstellingen en thema's werden en worden verbonden. Bijgaand probleem, van de Rus Alexander Dmitrievich Petrov (1794-1867), kreeg de naam De ontsnapping van Napoleon uit Rusland mee.

Petrov was een jongeling toen Napoleon precies tweehonderd jaar geleden, in 1812, in zijn land dood en verderf zaaide. Hij vertaalde al zijn haatgevoelens jegens de kleine Franse onderknuppel in deze beroemde compositie.
Het diagram laat een fascinerende stelling zien. Zo is bijvoorbeeld de zwarte koning in de voorgaande strijd het hele bord overgestoken. Het moet een turbulent geheel zijn geweest waarin zwart slechts een loper en een dame in het doosje heeft zien verdwijnen, terwijl wit in het vuur van het gevecht maar liefst twee torens, een loper en vijf pionnen is kwijtgeraakt. Wit heeft dus weinig te hopen, ware het niet dat in een schaakprobleem de logica per definitie niet aan de orde is. Daarom wint wit. En wel op een manier die historisch verantwoord schijnt weer te geven hoe het loedertje Rusland wist te verlaten. Wat we ons daarbij moeten voorstellen? Geen idee, waarde lezer. Krekwekdogt is een bezield, maar weinig begaafd schaker, en dan ook nog eens een schaker die helaas niet helemaal van Napoleons veldtocht op de hoogte is (behalve dan dat honger en kou honderdduizenden arme Fransen voor de poorten van Moskou de dood hebben ingejaagd). Hoe het ook zij en los van de uitgesproken dramatische historische context: het is een bijzonder smakelijke ontleding.

Eerst zelf proberen natuurlijk, maar voor degenen die de bedoelingen van Petrov niet helemaal doorzien of daarvoor gewoon te lui zijn, volgt hier de oplossing:

1. Pd2+ Ka2; 2. Pc3+ Ka3; 3. Pdb1+ Kb4; 4. Pa2+ Kb5; 5. Pa3+ (Pbc3+) Ka6; 6. Pb4+ Ka7; 7. Pb5+ Kb8; 8. Pa6+ Kc8; 9. Pa7+ Kd7; 10. Pb8+ Ke7; 11. Pc8+ Kf8; 12. Pd7+ Kg8; 13. Pe7+ Kh8; 14. Kg2# (Kg3#).

Waarvan akte.


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl