In deze eerste nieuwsbrief die ik alweer een half decennium geleden het licht deed zien kan de lezer nog een keer kennisnemen van het verhaal over Herman van Meggelen (eerder op Krekwekdogt gepost). De tweede helft is - benevens een ankeiler op pagina 1 - ingeruimd voor een uitvoerige beschouwing over Gods wonderlijkste dammer. Benieuwd wie dat is? Klik dan op fullscreen in de nieuwsbrief en fiets op uw gemak door de inhoud.
nieuwsbriefcomposite1
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Krekwekdogt woont in 'de schôônste stad van et laand' volgens de autochtonen en een verzameling rampspoed volgens vrijwel ieder ander. Hij schrijft over Brabant, de toestand in de wereld, heden en verleden, dammen en schaken, politiek, literatuur, Willem II (koning, voetbalclub en de sigaren), het dorp Helvoirt waarin hij is opgegroeid en wat er zoal nog meer op zijn weg komt. En dat allemaal vanuit de schôônste stad van et laand, waar ze nog weten hoe het leven geleefd moet worden.
zondag 31 oktober 2010
dinsdag 26 oktober 2010
Herfst
Afgelopen weekend was onverwacht prachtig, een uitgelezen moment om, gewapend met een digitale camera, op zoek te gaan naar de traditionele rode paddenstoelen met witte stippen. We hebben ze in het plaatselijke Wandelbos niet kunnen vinden. Maar er viel ook zonder deze wonderschone vliegenzwammen, waarvan de consumptie overigens ten sterkste moet worden ontraden, genoeg te genieten. Wie beweerde ook alweer dat Tilburg alleen maar uit een verzameling rampspoed bestaat?


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl


Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
zondag 17 oktober 2010
Eerste NTS-journaal gedigitaliseerd
Op 5 januari 1956 werd het eerste NTS-journaal uitgezonden. Dit journaal is onlangs teruggevonden in de archieven van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en onmiddellijk gedigitaliseerd.
Het ruim twaalf minuten durende journaal is vanuit journalistiek oogpunt een wonderbaarlijk geheel: de Koude Oorlog woedde in volle hevigheid, overal kostten brandhaarden die dag het leven aan vele mensen, maar het Journaal opende met een onwaarschijnlijk infantiele, oeverloos doorzanikende reportage over de schaaktweekamp tussen Euwe en Donner, bracht verder onder meer beelden van de Drie Koningen-optocht in Tilburg, boze stieren in Pamplona, een kerstboomverbranding in Amsterdam en een Amerikaanse dame met een olieveldje in haar achtertuintje. Een en ander eindigde met de zonnetjes en wolkjes tekenende hand van de weerman (een nieuwslezer was er nog niet: die primeur was Coen van Hoewijk op 3 oktober 1957 gegund).
De braafheid spat er vanaf. Het harde nieuws is grondig vermeden. De programmamakers hebben er alles aan gedaan om de actualiteiten te reduceren tot wat luchtige, hapklare brokken die bij alle gezindten naar binnen zouden glijden als Gods woord in een ouderling. Enfin, kijk en oordeel zelf:
Meer weten? Surf dan naar de website van de NOS.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Het ruim twaalf minuten durende journaal is vanuit journalistiek oogpunt een wonderbaarlijk geheel: de Koude Oorlog woedde in volle hevigheid, overal kostten brandhaarden die dag het leven aan vele mensen, maar het Journaal opende met een onwaarschijnlijk infantiele, oeverloos doorzanikende reportage over de schaaktweekamp tussen Euwe en Donner, bracht verder onder meer beelden van de Drie Koningen-optocht in Tilburg, boze stieren in Pamplona, een kerstboomverbranding in Amsterdam en een Amerikaanse dame met een olieveldje in haar achtertuintje. Een en ander eindigde met de zonnetjes en wolkjes tekenende hand van de weerman (een nieuwslezer was er nog niet: die primeur was Coen van Hoewijk op 3 oktober 1957 gegund).
De braafheid spat er vanaf. Het harde nieuws is grondig vermeden. De programmamakers hebben er alles aan gedaan om de actualiteiten te reduceren tot wat luchtige, hapklare brokken die bij alle gezindten naar binnen zouden glijden als Gods woord in een ouderling. Enfin, kijk en oordeel zelf:
Meer weten? Surf dan naar de website van de NOS.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
zaterdag 16 oktober 2010
Verzameld, gewogen en geschift
Enkele jaren geleden heb ik mijn mooiste damproblemen in een nieuwsbrief verzameld en aan de liefhebbers toegestuurd. Nu kan elke bezoeker van deze blog kennisnemen van de composities van mijn voorkeur. Druk in de menubalk bovenin de nieuwsbrief op 'fullscreen' voor een optimaal beeld. Dambord onder handbereik vereist!
Verzameld, gewogen en geschift
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Verzameld, gewogen en geschift
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
zondag 10 oktober 2010
Over het pad en de rozen
Den Bosch, 1977. Terwijl Den Uyl op de beeldbuis struikelde over de vermogensaanwasdeling, wierp Bosschenaar Jan Pennings zich schaterlachend achterover in zijn stoel. Dat had niets te maken met de problemen van het toenmalige kabinet, want daarin was hij maar matig geïnteresseerd: ‘Och, jungske, ze doen maar. Het kan nog wel een tijdje duren voordat ik mijn vermogen en aandelen moet wassen.' Het had alles te maken met een probleem, dat ik daags ervoor aan het bord had ontworsteld en met gepaste trots aan Jan had laten zien. (Klik in het diagram op ‘auto’). Overigens: als zwart op de eerste zet naar veld 38 slaat, volgen wat later de dodelijke zetten 21-17 en 34-29.
‘Een verrekkes schoon ding’, zei Jan, waarna hij plechtstatig vervolgde: ‘Maar, wijze heer, laat ons de merites van deze constructie andermaal aan de toets der kritiek onderwerpen, want helaas gaat het pad der hedendaagse problemist niet over rozen.’ De stand werd weer opgezet, Jan ging staan, knikte nog eens goedkeurend en zei: ‘Ook van grote hoogte is het een plaatje.’ Nadat hij weer was gaan zitten, speelde hij met veel gevoel voor theater (de zetten werden tergend langzaam gedaan om zo het doodvonnis extra luister bij te zetten)…
…waarna zich het in de aanhef beschreven tafereel voltrok. Terwijl Den Uyl verbeten aankondigde dat hij ’s anderendaags zijn geloofsbrieven bij de koningin zou inleveren, sloot Jan dit hoofdstukje op gepaste wijze met een knipoog naar Wim Kan af: ‘Ge zult nieuwe moeten bakken.’
Jan had relativeren tot kunst verheven. Zo vond hij de enorme waardering die zijn beroemde miniatuurtje uit 1961 ten deel was gevallen nogal opgeklopt, want ‘dat ding had ik in een vloek en een zucht op het bord staan’. Daarin kon ik hem niet bijvallen. Ik vond en vind het nog steeds het mooiste miniatuurtje dat ik ooit onder ogen heb gehad:
Een verbluffende ontleding waarin zwart telkens voor hoogst onaangename slagkeuzes wordt geplaatst. Wat aan deze sprankelende beauty toe te voegen? Soms overstijgt schoonheid nu eenmaal het vermogen om daaraan uitdrukking te geven.
Maar Jan was er zelf ook méér mee ingenomen dan hij liet doorschemeren. Het miniatuurtje hing namelijk in de vorm van een borduurwerkje bij hem aan de muur, waar het hem heeft geïnspireerd tot een van zijn befaamde limericks. Die over de dammende dame en haar borduurwerkje, of was het toch bord-uurwerkje? Voor dit soort taalkundige spitsvondigheden had Jan een derde oog, waaraan we een groot aantal hoogst humoristische versjes te danken hebben. Over de dammende archeoloog en zijn rots-tempeltje (of rot-stempeltje natuurlijk. Vroeger, waarde jeugd, waren wij, oude mannen, voor een reproductie van een diagram aangewezen op een in de KNDB-winkel te bekomen stempeltje), over de doodgraver die het liefst schijven in een kistje stopt en over de bakker die beslag legt op alle prijzen.
Humor, daar draaide zijn leven om. Zelfs in tijden waarin het hem persoonlijk beroerd ging – na de dood van zijn eerste vrouw en op het moment waarop die allesverwoestende ziekte zich bij hem had geopenbaard - ging hij deze moeilijke omstandigheden te lijf met het enige wapen dat hij had en tot het laatst toe als een ware grootmeester wist te hanteren. Hij wenste deze benijdenswaardige karaktereigenschap ook met anderen te delen. Jan was een gezelschapsmens. Zijn brieven en briefkaartjes eindigden – in mijn geval althans - dan ook altijd met het warme ‘Groeten van huis tot huis en kom gauw eens langs’. Ik heb het te weinig gedaan. Veel te weinig.
Tilburg, 2000. Terwijl de ‘Canon’ van Pachelbel de kamer vult, werp ik me intens tevreden achterover in mijn stoel. Op het bord staat een bevallig ogende zeven om zeven met een meerslagje, een dwangslagje en maar liefst vijf dammen op de plank:
Zwart kan op diverse momenten anders spelen, maar dat levert telkens een nog sneller heengaan op dan in de in de applet getoonde hoofdvariant.
Natuurlijk, het heeft niet de innerlijke charme en opperste geslepenheid van Jan’s miniatuurtje, maar het is toch bepaald een niet-alledaags werkstukje. Goedkeurend over de stelling blikkend, schiet die memorabele dag weer door mijn hoofd. Ik hoor Jan zeggen: ‘Ook van grote hoogte is het een plaatje, jungske. Maar helaas gaat ons pad niet over rozen!’ Terwijl ik 30-24 speel en daarop 15-10! laat volgen, gonst een lach door mijn hoofd. Het is de robuuste schaterlach van Jan. Ik zal nieuwe moeten bakken.
Naschrift: dit portretje werd eerder als voorwoord gepubliceerd in een van de door Leen de Rooij aan het oeuvre van Jan Pennings gewijde probleemboekjes. Een hele tijd later wist eindspeldeskundige Johan Bastiaannet me te melden dat het eindspel van het laatste diagram op diverse manieren bijoplosbaar is en dat minstens twintig dammers dit idee al veel eerder in de publiciteit hadden gebracht. Och, dat kon er nog wel bij...
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
‘Een verrekkes schoon ding’, zei Jan, waarna hij plechtstatig vervolgde: ‘Maar, wijze heer, laat ons de merites van deze constructie andermaal aan de toets der kritiek onderwerpen, want helaas gaat het pad der hedendaagse problemist niet over rozen.’ De stand werd weer opgezet, Jan ging staan, knikte nog eens goedkeurend en zei: ‘Ook van grote hoogte is het een plaatje.’ Nadat hij weer was gaan zitten, speelde hij met veel gevoel voor theater (de zetten werden tergend langzaam gedaan om zo het doodvonnis extra luister bij te zetten)…
…waarna zich het in de aanhef beschreven tafereel voltrok. Terwijl Den Uyl verbeten aankondigde dat hij ’s anderendaags zijn geloofsbrieven bij de koningin zou inleveren, sloot Jan dit hoofdstukje op gepaste wijze met een knipoog naar Wim Kan af: ‘Ge zult nieuwe moeten bakken.’
Jan had relativeren tot kunst verheven. Zo vond hij de enorme waardering die zijn beroemde miniatuurtje uit 1961 ten deel was gevallen nogal opgeklopt, want ‘dat ding had ik in een vloek en een zucht op het bord staan’. Daarin kon ik hem niet bijvallen. Ik vond en vind het nog steeds het mooiste miniatuurtje dat ik ooit onder ogen heb gehad:
Een verbluffende ontleding waarin zwart telkens voor hoogst onaangename slagkeuzes wordt geplaatst. Wat aan deze sprankelende beauty toe te voegen? Soms overstijgt schoonheid nu eenmaal het vermogen om daaraan uitdrukking te geven.
Maar Jan was er zelf ook méér mee ingenomen dan hij liet doorschemeren. Het miniatuurtje hing namelijk in de vorm van een borduurwerkje bij hem aan de muur, waar het hem heeft geïnspireerd tot een van zijn befaamde limericks. Die over de dammende dame en haar borduurwerkje, of was het toch bord-uurwerkje? Voor dit soort taalkundige spitsvondigheden had Jan een derde oog, waaraan we een groot aantal hoogst humoristische versjes te danken hebben. Over de dammende archeoloog en zijn rots-tempeltje (of rot-stempeltje natuurlijk. Vroeger, waarde jeugd, waren wij, oude mannen, voor een reproductie van een diagram aangewezen op een in de KNDB-winkel te bekomen stempeltje), over de doodgraver die het liefst schijven in een kistje stopt en over de bakker die beslag legt op alle prijzen.
Humor, daar draaide zijn leven om. Zelfs in tijden waarin het hem persoonlijk beroerd ging – na de dood van zijn eerste vrouw en op het moment waarop die allesverwoestende ziekte zich bij hem had geopenbaard - ging hij deze moeilijke omstandigheden te lijf met het enige wapen dat hij had en tot het laatst toe als een ware grootmeester wist te hanteren. Hij wenste deze benijdenswaardige karaktereigenschap ook met anderen te delen. Jan was een gezelschapsmens. Zijn brieven en briefkaartjes eindigden – in mijn geval althans - dan ook altijd met het warme ‘Groeten van huis tot huis en kom gauw eens langs’. Ik heb het te weinig gedaan. Veel te weinig.
Tilburg, 2000. Terwijl de ‘Canon’ van Pachelbel de kamer vult, werp ik me intens tevreden achterover in mijn stoel. Op het bord staat een bevallig ogende zeven om zeven met een meerslagje, een dwangslagje en maar liefst vijf dammen op de plank:
Zwart kan op diverse momenten anders spelen, maar dat levert telkens een nog sneller heengaan op dan in de in de applet getoonde hoofdvariant.
Natuurlijk, het heeft niet de innerlijke charme en opperste geslepenheid van Jan’s miniatuurtje, maar het is toch bepaald een niet-alledaags werkstukje. Goedkeurend over de stelling blikkend, schiet die memorabele dag weer door mijn hoofd. Ik hoor Jan zeggen: ‘Ook van grote hoogte is het een plaatje, jungske. Maar helaas gaat ons pad niet over rozen!’ Terwijl ik 30-24 speel en daarop 15-10! laat volgen, gonst een lach door mijn hoofd. Het is de robuuste schaterlach van Jan. Ik zal nieuwe moeten bakken.
Naschrift: dit portretje werd eerder als voorwoord gepubliceerd in een van de door Leen de Rooij aan het oeuvre van Jan Pennings gewijde probleemboekjes. Een hele tijd later wist eindspeldeskundige Johan Bastiaannet me te melden dat het eindspel van het laatste diagram op diverse manieren bijoplosbaar is en dat minstens twintig dammers dit idee al veel eerder in de publiciteit hadden gebracht. Och, dat kon er nog wel bij...
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
vrijdag 1 oktober 2010
Over Luns, de directrice en de nestor
Amsterdam, 1980 - Voor me laveerde een bejaard echtpaar voorzichtig langs de talloze losliggende stoeptegels en de soms verraderlijk opgestelde amsterdammertjes. “We zijn er bijna”, zei ze, een pronte, eerbiedwaardig grijze vrouw die kennelijk de regie voerde in hun huwelijk. Hij oud en kromgebogen, een wandelstok in de ene, de arm van zijn echtgenote in de andere hand. Hij liet zich gewillig meevoeren naar de plaats van bestemming. Dat zal, schoot het plotseling door me heen, toch niet de bijeenkomst zijn van de KVD? “We zijn er, Nol.” Nol? Er waren voor zover ik wist binnen de KVD maar twee Nollen. Eén ervan, Nol Beemer, viel meteen af: die kende ik al jaren. Dan moest dit breekbare manneke waarachtig die andere Nol zijn.
Mevrouw Polman zette hem met zachte hand aan een tafel, nestelde zichzelf vervolgens in een hoekje van het etablissement, maakte een Tupperware lunchboxje open, hapte in een bruine boterham met kaas en zag met genoegen toe hoe haar Nol door al zijn ouwe makkers uitbundig werd begroet. De nestor, 85 inmiddels, sprak weinig, en als hij het deed, was het op de hem zo kenmerkende langzame, haast lijzige toon. Ook tijdens de vergadering beperkte hij zich tot een aandachtig stilzwijgen.
Doodstil
Belangrijk onderwerp van gesprek tijdens de vergadering was het naderend veertigjarig bestaan van de Kring, die op 12 januari 1941 was opgericht. Er zou een jubileumboek komen, elke problemist werd van harte uitgenodigd hiervoor vijf ongepubliceerde problemen aan te leveren. Ik zou het een en ander aan elkaar schrijven. De nestor knikte instemmend en krabbelde wat in een heel klein notitieboekje.
Rond een uur of twee - we waren het koffiestadium niet eens ontstegen - nam de directrice de nestor resoluut onder de arm: “Meneer Polman wenst u allen verder een plezierige middag toe”, zei ze statig. “Dank u wel”, mompelden we ietwat verbouwereerd, waarna het even doodstil werd in het gebouw van de Kruisvereniging. We wisten intuïtief dat we Polman nooit meer terug zouden zien: daar schuifelde een legendarisch problemist voorgoed weg uit ons leven, zomaar op een vroege zaterdagmiddag in Amsterdam.
Tegenstrijdige informatie
Het jaar 1895 bracht een aantal opzienbarende technische doorbraken. Röntgen ontdekte de naar hem genoemde stralen, de gebroeders Lumière draaiden de eerste film en Marconi maakte het eerste geslaagde radiocontact. Op 11 januari van dat jaar werd J. Edgar Hoover geboren, die later bijna een halve eeuw lang de FBI zou leiden en als zodanig meer macht zou hebben dan heel wat presidenten die hij had gediend.
Op dezelfde dag zag in Almelo Albertus Arnoldus Polman het levenslicht. Over het leven en werken van deze opmerkelijke man is niet veel vastgelegd en wat er is aan bronnenmateriaal, bevat nogal wat tegenstrijdige informatie. Zo meldde Theo van Prooijen (Het Damspel, 1957, nr. 3/4, p. 45) dat Polman in 1918 aan het dammen verslingerd was geraakt door toedoen van twee buurjongens, de gebroeders Jurg. Een andere bron verhaalde echter hoe hij voor het eerst met het dammen in aanraking kwam toen hij in 1916 als gemobiliseerd militair moest worden opgenomen in het hospitaal van Sint-Oedenrode. Van deze bron heb ik gebruik gemaakt in het jubileumboek van de KVD, omdat er voor mij geen enkele reden was om aan deze informatie te twijfelen. Toch klopt het verhaal niet, zo is me onlangs duidelijk geworden: er heeft in het Brabantse Sint- Oedenrode namelijk nooit een ziekenhuis bestaan, niet eens een tijdelijk militair hospitaal. Niemand minder dan Polman zelf was de bron geweest: hij had een en ander pontificaal gemeld in zijn brief die ik een paar dagen na de Kringbijeenkomst in Amsterdam mocht ontvangen en die voorts vijf eerste publicatie-problemen voor het jubileumboek bevatte. Het waren overigens beslist niet zijn beste problemen.
Ook over zijn maatschappelijke status lijken de bronnen het niet eens te zijn. Nol Beemer vertelde me ooit dat Polman in de tabakshandel had gezeten en daarmee een dusdanig vermogen had opgebouwd dat hij al op relatief jonge leeftijd kon gaan rentenieren. Maar Arie van der Stoep schrijft in zijn necrologie (gepubliceerd in De Problemist 1985, nr. 2) dat de nestor een sigarenzaakje exploiteerde. Van dit soort zaakjes waren er toen in elke straat wel twee te vinden. Later komen we op deze brandende kwestie terug. We beperken ons op dit moment even tot de vaststelling dat zowel Beemer als Van der Stoep waarschijnlijk gelijk had.
En dan zijn voorliefde voor de kleinere problemen: volgens Van Prooijen besloot Polman in 1927 zich alleen nog met het lichte werk bezig te houden. Maar het waarom van deze plotselinge omslag, die overigens tamelijk absurd zou zijn, maakte de Rotterdammer niet duidelijk. Arie van der Stoep rept niet over een abrupte ommezwaai, maar geeft wel een plausibele verklaring voor Polmans voorliefde: zijn problemen kwamen namelijk in zijn winkeltje tot stand tussen het helpen van de klanten door. Daardoor kwam hij nooit aan het forsere werk toe.
Feit en fictie lopen tot slot al evenzeer door elkaar heen waar het de productie van Polman betreft. Van Prooijen had het in 1957 over meer dan 3.000 gepubliceerde problemen, een aantal dat daarna hardnekkig in allerlei verhalen terugkomt. Maar Turbo Dambase van Klaas Bor, waarin alle gepubliceerde problemen zitten tot en met 2004, komt tot een aantal van 852. Normaal gesproken zou het persoonlijk archief van de componist in kwestie uitsluitsel kunnen bieden, maar in het geval van Polman gaat deze vlieger niet op. Van der Stoep in zijn necrologie in De Problemist:
“Hij weigerde hardnekkig ook maar één damblad te bewaren. Het enige tastbare bewijs dat hij problemen maakte was een kistje met papiertjes van allerlei kleuren en formaten, van giro-enveloppen tot drukwerk van vóór de wereldoorlog, met honderden probleempjes. Zijn vrouw hield bij welke er waren gepubliceerd, want al bekommerde hij zich niet om zijn gepubliceerde problemen, zijn boekhouding moest in orde zijn. Bij mijn laatste bezoek aan hem was hij bezig ongepubliceerde problemen te selekteren uit werk van soms al een halve eeuw oud. Hij was toen al in de tachtig.”
Telefoonverkeer
Enkele dagen na ontvangst van de genoemde brief ging de telefoon.
“Met Pólman... Pólman uit Almelo, ik geef u mijn vrouw even.”
“Met mevrouw Polman. Hebt u de brief in goede orde ontvangen?”
Dat kon ik bevestigen.
“Mijn man belt u met het verzoek om in het laatste probleem schijf 38 op 37 te plaatsen.
Volgens mijn man is de oplossing dan moeilijker te vinden. Kunt u dat voor ons regelen?”
Natuurlijk kon ik dat. Het ging om onderstaand werkstukje, hier nog met 38 gewoon op 38. (Klik in het diagram op ‘auto’).
Een kwartier later ging weer de telefoon:
“Nog een keer met mevrouw Polman. Mijn verontschuldigingen dat ik u weer lastig moet vallen, maar daar is een goede reden voor. Meneer Polman is namelijk tot het inzicht gekomen dat 37 terug moet naar 38. De stand is dan mooier, vindt hij. Zou u zo vriendelijk willen zijn?”
De schijf zou in de daaropvolgende weken in totaal zeven keer van plaats verwisselen. De kwestie hing kennelijk als een molensteen om zijn nek. Uiteindelijk kozen de nestor en de directrice voor veld 38 en dat was achteraf gezien maar goed ook: met 38 op 37 zit er via 28, 40, 37, 38, 19 en 5 een vreselijke bijoplossing in.
Laatste contact
Er ligt nog een onbeantwoorde vraag. Was Polman een vermogend man? Vermogend is wellicht niet het juiste woord, maar dat hij niet op de kleintjes hoefde te letten, staat vast. Enkele dagen na de laatste verhuizing van 37 naar 38 belde mevrouw Polman weer op.
“U hoeft niet bevreesd te wezen, hoor, meneer Polman is zeer tevreden over de probleemstelling. Wij bellen u voor een andere kwestie.”
De familie Polman bleek op zoek naar een service-appartement voor gegoede senioren. Had ik als telg van het bourgondische Brabant, waar toen inderdaad al heel wat van dit soort serviceflats waren opgetrokken, wellicht een goede suggestie? Die had ik. In Vught was zojuist een project afgerond dat zich specifiek richtte op ouderen met een gevulde bankrekening. Niemand minder dan Joseph Luns, die decennialang zijn stempel had gedrukt op het buitenlands beleid van Nederland en die op dat moment secretaris-generaal van de NAVO was, had er een appartement waarin hij zich terugtrok als ‘Brussel’ hem de keel uithing. Het had uitvoerig in alle Brabantse kranten gestaan. Een goedkoop appartement was het beslist niet: er moesten heel wat pegels worden meegebracht, zo’n halve ton aan (toen nog) guldens per jaar, toen heel veel geld. Van die halve ton was mevrouw Polman niet onder de indruk. Van Joseph Luns als potentiële buurman daarentegen wel. “Weet u, meneer Polman is niet zo gecharmeerd van die man”, zei ze ingetogen. Deze zeer beschaafd geformuleerde afkeer van Luns, die ik overigens helemaal deelde, markeerde het einde van een kort maar intensief telefoonverkeer tussen Almelo en Helvoirt.
Geruime tijd later zag ik dat de familie Polman naar Goor was verhuisd. Het zou na Almelo, Bussum, Halfweg en weer Almelo - ik zie ongetwijfeld enkele tussenstops over het hoofd - zijn laatste standplaats worden. In Goor is hij uiteindelijk op 31 juli 1984, bijna negentig jaar oud, overleden.
Polman als problemist
Zijn beste werk laat zich in enkele steekwoorden samenvatten: speels, lichtvoetig, eerder subtiel dan spectaculair, prettig ogende plaatjes, puntige slotakkoorden, om kort en goed te gaan: harmonisch. Toen de ‘Scherpe Regels’ (SR) een min of meer verplichtend karakter kregen, leek hij zich met duidelijke tegenzin in dit nieuwe regime te schikken: er staan heel wat constructies op zijn naam waarin hij de SR bewust aan zijn laars heeft gelapt. Het lijdt dan ook geen twijfel dat hij de SR als beknottend heeft ervaren.
Evergreens
Het heeft me een kleine twee avonden gekost om alle bijna 900 problemen na te spelen. De kwaliteit van het aanbod varieerde nogal. Er zit behoorlijk wat zouteloos, dor hout tussen en Polman zag er ook geen been in om een bepaald thema tot op het bot – eigenlijk tot vervelens toe – uit te melken, maar hij heeft ook een aantal composities op zijn naam staan die een gegarandeerde plaats zullen krijgen in het nog samen te stellen boek met daarin alle evergreens uit de geschiedenis van de damproblematiek.
In chronologische volgorde laat ik een aantal werkstukken zien die ik de auteur van dat nog te schrijven boek van harte wil aanbevelen.
De publicatiedatum van onderstaand probleem is onbekend, maar ligt ongtwijfeld ver voor de Tweede Wereldoorlog. Het is niet zomaar een meerslagstukje. Met name de tweede zet is buitengewoon fraai (1x1x2x2x3).
Er zullen indertijd best scherpslijpers zijn geweest die zurige opmerkingen hebben geplaatst bij wits laatste zet 29-24.
Het Damspel, juni 1928. Ongekend subtiel en sierlijk. Dit miniatuurtje komt dan ook terecht voor in alle bloemlezingen.
Gepubliceerd in het legendarische boek van G.L. Gortmans, 1001 Miniaturen (1939). Op het oog een bladprobleempje, maar in werkelijkheid een briljante forcing. Als zwart op de derde zet naar 24 slaat, volgen natuurlijk 22-18 en 21-17.
Eveneens afkomstig uit Gortmans’ 1001 Miniaturen en al evenzeer een evergreen. Zie toe hoe geraffineerd wit schijven naar de velden 25 en 30 transporteert om daarna met die twee vernietigend uit te halen.
Wederom een overbekend werkstukje uit 1001 Miniaturen. Vrijwel elke problemist heeft dit probleempje enige tijd als eigen vondst gekoesterd, maar Polman was ons allemaal voor.
Het Damspel, februari 1941. De smakelijke ingrediënten zijn een dot van een aanvangsstelling, een meerslagje, een plakker, een dwangslag van de zwarte dam en een damoffer van de witte dam. Ook dit probleem heeft tal van navolgers opgeleverd.
Het Kompas 1947. Na de grote terugslag 15x44 kan de zwarte dam ineens geen kant meer op. Heerlijk gesol met de zwarte dam, zowel tijdens het combinatieve gedeelte als in het motiefje. Dat dit probleem altijd redelijk onbekend is gebleven, zal wel te maken hebben met de twee minschijven voor wit en het doorgebroken stuk hout op 15.
Een van de weinige grotere constructies, geplaatst in Het Centrum op 24 december 1954. Let op hoe de zwarte dam dankzij een bijzondere slagkeuze naar de juiste plaats wordt gedirigeerd. Het (bekende en veelbewerkte) motief is, als ik me niet vergis, van de hand van Kees van de Kuilen.
De Problemist 1955. Met dit probleem won Polman de tweede prijs in het Kringkampioenschap van dat jaar. Als zwart op de tweede zet naar 19 slaat, volgt 4 (47) 2, 35, 24, 14. Twee volkomen scherpe varianten, nog steeds een zelden voorkomend fenomeen.
Het Damspel, december 1955. Er verschijnen drie dammen op het bord, waarvan de twee zwarte samen goed zijn voor vijf dambewegingen.
De Problemist, september 1964. Een fraaie klassieke stelling met een doorsnee-afwikkeling, maar dan moet wel worden bedacht dat Polman min of meer de geestelijk vader was van dit soort meerslagsystemen.
Gedenkplaatje
Een aantal Vughtenaren heeft zich in 2002, het jaar waarin Luns overleed, beijverd om in de hal van de serviceflat een gedenkplaatje aan te laten brengen: alle bezoekers moesten weten dat hier eens een Groot Vaderlander woonachtig was geweest. Het is niet doorgegaan. En dat is maar goed ook: een legendarisch problemist zou zich onmiddellijk in zijn graf hebben omgedraaid, zomaar op een lome ochtend in Goor.
(Foto: Het Damspel 1957)
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
woensdag 22 september 2010
Over Herman van Meggelen, Bossche kelkjes en een briljant motief
Helvoirt, 1963
Een regenachtige woensdagmiddag ergens in april: ik ben zojuist aangeschoven voor het eerste dampartijtje in mijn bijna tienjarige leven. Mijn tegenstander heet Peter Witlox en de plaats van handeling is diens ouderlijk huis onder de rook van de Sint Nicolaaskerk. “Je moet nooit naar de rand gaan, da’s zwak”, zegt hij. Hij ruilt zonder scrupules mijn openingszet 31-26 in voor 33-28 en voegt er meteen namens zichzelf 18-22 aan toe. “En nou moet je deze spelen.” Op zijn advies lever ik 39-33 af. “Máám, kom kijken, hij is erin getrapt!”, roept hij verheugd. Zijn moeder, een schrandere vrouw die geheel naar de toenmalige tijdgeest tot het fornuis veroordeeld is, ziet toe hoe haar kroost zich aan de tenuitvoerlegging van een geoliede Haarlemmer zet, strijkt even troostend over mijn haar en zegt: “Hiermee is zijn repertoire wel uitgeput, hoor.”
Het was niets minder dan een openbaring. Thuisgekomen liet ik weten dat ik op mijn tiende verjaardag een dambord met schijven wilde. Dat rare zetje had me gegrepen: fascinerend!
Dambord en schijven kwamen er. Wat later, toen het mijn ouders duidelijk was geworden dat het hier geen ordinaire bevlieging betrof, kreeg ik zowaar een damboekje: de Prisma van R.C. Keller. Welk een gelukzalig moment, waarde lezer, en wat een prachtig boekje! Neem nu de eerste regels, waarin deze meneer, die volgens de flaptekst onvoorstelbaar goed kon dammen, uitlegde dat dammen en dammen twee verschillende dingen zijn. Wie een redelijke ‘Boer, er ligt een kip in het water’ aan een piano weet te ontworstelen, is niet per definitie een begenadigd pianist. Zoiets stond er. Het was een metafoor die getuigde van een bovenmenselijk inzicht, vond ik.
In de daaropvolgende jaren kocht ik alles wat er op damgebied verscheen en in één van die boeken stond de tweede openbaring, symbolisch genoeg gepubliceerd in het jaar van mijn geboorte (1953). (Klik in het diagram op ‘auto’).
Wat na deze verbluffende afwikkeling rest is een krankzinnige positie die destijds een enorme indruk op me maakte. Zwart heeft een gigantisch aantal schijven op het bord staan, maar is ten dode opgeschreven. Ik had diep respect en een heilig ontzag voor de man die dit kunstwerkje had bedacht, ene H. van Meggelen. Overigens heb ik lang geleefd in de stellige overtuiging dat in de aanvangspositie 34-29 (want 32-27x27 kan natuurlijk niet vanwege 7-12, 10-15 en 24-29) ook wel zou winnen, maar toen ik de auteur daarmee jaren later confronteerde, schudde hij een geniale riposte uit zijn mouw, waarna hij glimlachend zijn kelkje en mijn glas liet bijvullen. Zie toe en geniet:
Laat ik echter niet op de zaken vooruitlopen en eerst vaststellen dat ik dankzij dit bijzondere probleem een meer dan normale belangstelling heb ontwikkeld voor de problematiek in het algemeen en Laocoönstellingen in het bijzonder.
Amsterdam, 1975
Ik sta bij het bord waarop Paul Germain beroerde momenten beleeft tegen Cees Varkevisser. Het zit Germain in dit Nederlands kampioenschap sowieso niet erg mee: hij loopt tegen zes nullen op. Eén ervan ontrolt zich binnen enkele seconden voor mijn ogen: Germain heeft namelijk net 9-13 afgeleverd. Oogt logisch, maar daar is alles mee gezegd. Ik voel een por in mijn zij. Naast me staat een rijzige man, flinke haardos, donkere bril, forse baard en een jonge klare in zijn hand. “Leuk zetje”, fluistert hij.
Gelaten doet Germain, een door en door vriendelijke Haïtiaan die op enig moment in Nederland verzeild was geraakt en nooit meer is vertrokken, de schijven in het doosje. Hij kijkt berustend om zich heen, bijna melancholiek, met een zweem van een glimlach op de lippen. Hunkert zichtbaar naar de warmte van zijn geboorteland. Varkevisser bestelt ondertussen bij de bar een biertje. Wij staan er ook, de rijzige man en ik. Het is mijn eerste kennismaking met Herman van Meggelen. Mooi moment om mijn twijfels uit te spreken over dat probleem uit 1953, maar de weerlegging is, ik liet het al zien, fabuleus.
“Doe je wat aan problematiek?”, vraagt Herman. Omdat ik inmiddels enkele krakkemikkige werkstukjes heb samengesteld, durf ik dat te bevestigen. Met zachte hand voert hij me naar een tafel, drukt me in een stoel, gaat tegenover me zitten, vouwt het magnetisch zakdambordje open en strooit er bijna achteloos wat dammen en schijven op. “Vanmorgen in de trein zomaar uit de lucht komen vallen”, zegt hij enigszins bagatelliserend. Niet terecht, zo blijkt. Het is een aangenaam ogende stelling vol fraaie finesses:
Zwart blijkt nu plotseling volkomen uitgeteld te zijn. Alleen het offer (35-40) 45x34 geeft nog wat lucht, maar dat mag eigenlijk geen naam hebben. Op (16-21) volgt 6-44, op (49-21) 6-11, op (49-43) 6-39! en tot slot op (49-35) 34-30!
“Als je schijf 44 terugzet op 40, heb je een lekker motief, maar ik vermoed dat het met die twee witte dammen een hels karwei is om er iets fatsoenlijks op te maken”, voorspelt hij, waarna hij vele, vele handen te schudden heeft, want hij kent iedereen en iedereen kent hem.
Ik heb het gevoel in enkele minuten heel veel rijker te zijn geworden. Thuis speel ik nog eens dat motiefje na: wonderlijk hoeveel verschillende minicombinaties met zo weinig materiaal kunnen worden gerealiseerd. Een briljant motief, is mijn eerste conclusie. En wat ben ik nog een kleine jongen, is de tweede.
Den Bosch, 1979
Karel Sax is een vriend van Piet Lauwen en penningmeester van de Kring voor Damproblematiek (KVD). Sax vervult dit ambt met de zwier van een passant die beseft erin geluisd te zijn. Hij is ook de zoon van de eigenaar van Instituut Sax, waar de Bossche jeugd zich kan bekwamen in typen en andere vaardigheden ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf. In een van de typelokalen vindt de jaarlijkse reünie van de KVD plaats. Er staat een aftandse koffieautomaat, meer valt er voor de Kringleden, die het grootste deel van de zaterdag achter veel te kleine lessenaartjes door zullen brengen, niet te nuttigen. De ambiance kan dus beduidend beter.
Van Meggelen is er ook. Hij slaat zich manmoedig door de armetierige omstandigheden heen, maar als de laatste plichtplegingen zijn afgewerkt, klopt hij me op mijn schouder: “Hoog tijd voor een neutje, jongen”. Even later zitten we in de Bossche stationsrestauratie. We spoelen de tegenvallende reünie weg met een kopstootje (voor de geheelonthouders onder de lezers: een ‘kopstootje’ is de benaming voor een biertje en een jonge klare. Men neme een nipje klare en spoele deze weg met een slok bier. Een hemelse combinatie voor degene die ‘s anderendaags voldoende tijd en gelegenheid heeft om de kater te verteren). De asbak op het belegen Perzische tafelkleed vult zich langzaam met zijn Belinda-peuken en mijn Drum-shaggies. De gemoedelijke dame van dienst zweeft af en aan met glazen en kelkjes. Twee zakdambordjes liggen op tafel. De ene na de andere vondst passeert de revue, tot de laatste trein naar het hoge noorden een eind maakt aan een bijzondere avond. Vanaf dat moment onderhouden we een levendige correspondentie. Herman is een begenadigd brievenschrijver. Brieven van soms tientallen pagina’s, gelardeerd met vijftig, zestig diagrammen. Pareltjes zijn het (één ervan is terug te vinden in het jubileumboek van de KVD bij het veertigjarig bestaan in 1981).
Begin jaren tachtig ontmoeten we elkaar nog enkele keren, niet zo indringend en intensief als die avond in de Bossche stationsrestauratie, maar even inspirerend en steeds met een neut onder handbereik. Want Herman is een Bourgondiër en houdt van het leven. Hij zou zich als Brabander ongetwijfeld op zijn gemak hebben gevoeld.
Tilburg, augustus 1984
Telefoon. Gerrit van der Linde aan de lijn. “Heb je het al gehoord? Herman van Meggelen is vorige week overleden. Zomaar ineens weg. Zijn hart.” Ik vloek. Het wordt een lege en stille dag. De buitentemperatuur bereikt tropische waarden, maar ik ril: ik herlees zijn brieven, herproef de keren dat we elkaar hebben ontmoet en speel een groot aantal composities na. Wat is hij toch een geniale componist geweest, concludeer ik weer. Elk werkstuk bevat minimaal één moment dat een Aha-Erlebnis teweeg brengt. Routine is hem vreemd. En altijd is de aanvanggstelling een lust voor het oog. Want daaraan hecht hij grote waarde: “Een gerecht moet er appetijtelijk uitzien”, heeft hij me talloze malen voorgehouden. “Een compositie moet intrigeren, het plaatje moet tot oplossing uitnodigen. Als de stelling oogt als een bak hondenvoer, is je honger over.”
Hoogstandjes
Moeiteloos zouden tientallen pagina’s gevuld kunnen worden met voorbeelden van zijn opvattingen over de problematiek en het zouden stuk voor stuk technische hoogstandjes zijn. Het is dan ook de overweging waard om zijn complete oeuvre nog eens te verzamelen en uit te geven. Ik beperk me hier tot een aantal plaatjes die mij om wat voor reden dan ook altijd hebben aangesproken. Laten we beginnen met een lekker smeuïg vraagstuk waarin de zwarte dam mag kiezen op welke manier hij tenonder wil gaan. Daarin schuilt ook het bijzondere: het kan snel, pijnloos en esthetisch of langzaam maar niet minder esthetisch. In allebei de gevallen voltrekt het vonnis zich haarzuiver en dat is dan weer een fenomeen dat in de problematiek maar zelden voorkomt:
In onderstaand probleem maakt de zwarte dam een indrukwekkende reis en wel via de velden 47, 35, 2, 16 en 50. Het aantal vraagstukken waarin een zwarte dam alle bordranden bezoekt, lijkt me uiterst beperkt. Het is trouwens ook een komen en gaan op veld 35.
Een probleem dat Van Meggelen maakte met ir. Jaap Viergever en dat inmiddels de status van ‘evergreen’ heeft verworven. Het werd gepubiceerd in De Problemist 1961. De prachtige meerslagen en de granaatinslag 32-27 maken van dit probleem een absolute topper. Dat er na alle schermutselingen een onbevredigende hoeveelheid hout overblijft, nemen we graag voor lief:
Een krankzinnige constructie van Herman in samenwerking met Andreas Kuijken. Zij werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Dammen (mei 1988).
Het is op zich al knap dat zwart nog een onwaarschijnlijk subtiele tegencombinatie weet te ontdekken, maar het antwoord van wit, de slag van de witte dam naar 31, is ronduit geniaal gevonden. En dat dan allemaal in de gelimiteerde omvang van een miniatuur. We mogen dit schitterende ding typerend noemen voor Van Meggelens opvattingen over de problematiek.
Zo heeft elk werkstuk van Herman van Meggelen iets bijzonders. ‘Never a dull moment’, het kenmerk bij uitstek van een groot componist. Herman van Meggelen was een eminent problemist, wiens creatieve vermogen om onduidelijke redenen altijd
enigszins is onderschat. Voor mij behoort hij onbetwist tot de nationale top vijf der groten in het vak.
Wars van autoriteit
Dat de dammer Van Meggelen een begaafde persoonlijkheid is geweest, is inmiddels duidelijk. Rest de vraag wie de mens Van Meggelen nu eigenlijk was.
Hermannus van Meggelen werd geboren op 23 april 1931 in het Groningse Haren. Hij bleek een slim manneke dat niet alleen uitgesproken koppig en driftig was, maar ook al heel snel duidelijk maakte wars te zijn van alles wat riekte naar autoriteit. Boven hem geplaatst gezag kon hij maar moeilijk accepteren. Op de middelbare school kwam hij in aanraking met het damspel en wat later met de problematiek. Zijn eerste problemen dateren al van 1949 en zijn onder meer terug te vinden in Het Damspel. Degene die nog eens het verzameld werk van Van Meggelen wil boekstaven, zal stuiten op de omstandigheid dat Van Meggelen zich graag verschool achter een onafzienbare reeks pseudoniemen. Zo zijn mij Harmke A. Smid en A. Iserga bekend, alsmede natuurlijk P. van Manen (uit Heteren, zo stond er telkens bij vermeld), maar het is niet uitgesloten dat Van Meggelen nog tal van andere schuilnamen gebruikte. Aan dit soort mystificaties ontleende hij nu eenmaal een bijna vlegelachtig plezier.
Zijn leermeesters van het eerste uur waren problemisten en auteurs van naam. Mannen als W. B. Monsma en Harm Schurer hebben hem bekend gemaakt met de grondbeginselen, maar ook mensen en persoonlijke vrienden als Viergever en Van der Linde hebben veel betekend voor zijn ontwikkeling als problemist.
Na de middelbare school ging hij aan de slag in de verzekeringsbranche. Een prima baan, zo meldt zijn zoon Jan, maar wel een waarin hij de nodige gezagsdragers boven zich te dulden had. Uiteindelijk won de vrijheidsdrang het van de zekerheid en koos hij voor het vrije ondernemerschap. Hij begon een meubelzaak, eerst in Zuidlaren, later in Groningen.
Conjunctuurgevoelig als de meubelbranche is, ging het Van Meggelen in zakelijk opzicht niet altijd naar den vleze. Dat gold zeker begin jaren tachtig, toen de economische malaise haar dieptepunt had bereikt. Ik was een van de weinigen die over zijn geheim telefoonnummer beschikten, de rest van de burgerij moest proberen hem via zijn meubelzaak te spreken te krijgen - wat onbegonnen werk was.
Maar voor- of tegenspoed, zijn kinderen bewaren aan hem de dierbaarste herinneringen. Jan van Meggelen: “Mijn vader was creatief, onderzoekend en perfectionistisch waar het om het componeren ging. Daarnaast was hij een gevoels- en gezelschapsmens bij uitstek, hij had altijd bezoek. Dat kwam ook omdat hij zo goed kon luisteren, problemen oploste voor anderen en altijd op de bres stond voor zwakkeren. Hij had een goed hart. Nou ja figuurlijk dan... Groningse dammers voelden zich bij ons thuis. Het was een soort clubhuis voor ze. Er zijn, bijvoorbeeld door Hans Jansen en Jannes van der Wal, veel trainingen gegeven aan de spelers van DC Groningen (Roxy Dual). Ook is er bij ons thuis een competitie georganiseerd voor ieder die maar wilde komen. Dit resulteerde in een bont gezelschap van sterke dammers uit Drente, Friesland en Groningen.”
Het ging hier om de roemruchte woensdagavondcompetitie, waarvan zeer leesbare verslagen zijn gemaakt door onder anderen Van der Wal. “Ik denk”, besluit Jan van Meggelen, “met warmte aan hem terug. Mijn vader was een groot mens. Letterlijk en figuurlijk.” En dat was hij. Een groot mens en een groot componist.
NASCHRIFT: Het offer van Bedum
Wat is de mooiste creatie van Van Meggelen? Ik zou daarop geen antwoord kunnen geven: in zijn verzameld werk zitten heel wat vondsten die de tand des tijds glansrijk zullen doorstaan. Maar als het dan toch moet, gaat mijn voorkeur uit naar de Laocoön uit 1953. Niet eens zozeer vanwege de esthetische kwaliteiten als wel op grond van de invloed die deze compositie op mij heeft gehad.
‘Het offer van Bedum’ (de term is van Auke Scholma) is nauw verwant aan de Laocoön: ook in deze positie legt een overweldigende meerderheid het uiteindelijk af. Naar deze stelling gaat de voorkeur uit van Hermans zoon Jan. Jan van Meggelen: “In het diagram heeft Andreas Kuyken het over het thema-Van Meggelen. Zwart heeft een dam en staat 4 stukken voor. Toch is het aan alle kanten verloren:
Zwart heeft niets beters dan (18-23). Na het slaan is de dubbele dreiging 7 of 8 beslissend.
In bovenstaand diagram heeft mijn vader dit motief verwerkt. Het werd gepubliceerd in het programmaboekje van het NK in Bedum 1980. De oplossing: 471! Omdat nu op (35) het vernietigende 450! volgt, moet zwart wel (47), waarna we via 461, 427 en 382!! in het thema-diagram terechtkomen. Helaas heeft Kuyken een bezwaar en dat is dat wit wellicht ook wint via 427, 471. 372 (44) 5 (40) 6 (36).” (Toch is die winst helemaal zo eenvoudig nog niet. Het programma Dam 2.2 bijvoorbeeld slaagt er niet in de stand voor wit naar winst te voeren. HW). “Daarom heeft Kuyken het motief nog eens bewerkt. Hij stelt voor deze compositie op naam van mijn vader te zetten:
De bewerking van Kuyken is mooi met een mooie natuurlijke stand, iets waar mijn vader altijd erg aan gehecht was. Ik heb het eerste diagram altijd fascinerend gevonden.”
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Een regenachtige woensdagmiddag ergens in april: ik ben zojuist aangeschoven voor het eerste dampartijtje in mijn bijna tienjarige leven. Mijn tegenstander heet Peter Witlox en de plaats van handeling is diens ouderlijk huis onder de rook van de Sint Nicolaaskerk. “Je moet nooit naar de rand gaan, da’s zwak”, zegt hij. Hij ruilt zonder scrupules mijn openingszet 31-26 in voor 33-28 en voegt er meteen namens zichzelf 18-22 aan toe. “En nou moet je deze spelen.” Op zijn advies lever ik 39-33 af. “Máám, kom kijken, hij is erin getrapt!”, roept hij verheugd. Zijn moeder, een schrandere vrouw die geheel naar de toenmalige tijdgeest tot het fornuis veroordeeld is, ziet toe hoe haar kroost zich aan de tenuitvoerlegging van een geoliede Haarlemmer zet, strijkt even troostend over mijn haar en zegt: “Hiermee is zijn repertoire wel uitgeput, hoor.”
Het was niets minder dan een openbaring. Thuisgekomen liet ik weten dat ik op mijn tiende verjaardag een dambord met schijven wilde. Dat rare zetje had me gegrepen: fascinerend!
Dambord en schijven kwamen er. Wat later, toen het mijn ouders duidelijk was geworden dat het hier geen ordinaire bevlieging betrof, kreeg ik zowaar een damboekje: de Prisma van R.C. Keller. Welk een gelukzalig moment, waarde lezer, en wat een prachtig boekje! Neem nu de eerste regels, waarin deze meneer, die volgens de flaptekst onvoorstelbaar goed kon dammen, uitlegde dat dammen en dammen twee verschillende dingen zijn. Wie een redelijke ‘Boer, er ligt een kip in het water’ aan een piano weet te ontworstelen, is niet per definitie een begenadigd pianist. Zoiets stond er. Het was een metafoor die getuigde van een bovenmenselijk inzicht, vond ik.
In de daaropvolgende jaren kocht ik alles wat er op damgebied verscheen en in één van die boeken stond de tweede openbaring, symbolisch genoeg gepubliceerd in het jaar van mijn geboorte (1953). (Klik in het diagram op ‘auto’).
Wat na deze verbluffende afwikkeling rest is een krankzinnige positie die destijds een enorme indruk op me maakte. Zwart heeft een gigantisch aantal schijven op het bord staan, maar is ten dode opgeschreven. Ik had diep respect en een heilig ontzag voor de man die dit kunstwerkje had bedacht, ene H. van Meggelen. Overigens heb ik lang geleefd in de stellige overtuiging dat in de aanvangspositie 34-29 (want 32-27x27 kan natuurlijk niet vanwege 7-12, 10-15 en 24-29) ook wel zou winnen, maar toen ik de auteur daarmee jaren later confronteerde, schudde hij een geniale riposte uit zijn mouw, waarna hij glimlachend zijn kelkje en mijn glas liet bijvullen. Zie toe en geniet:
Laat ik echter niet op de zaken vooruitlopen en eerst vaststellen dat ik dankzij dit bijzondere probleem een meer dan normale belangstelling heb ontwikkeld voor de problematiek in het algemeen en Laocoönstellingen in het bijzonder.
Amsterdam, 1975
Ik sta bij het bord waarop Paul Germain beroerde momenten beleeft tegen Cees Varkevisser. Het zit Germain in dit Nederlands kampioenschap sowieso niet erg mee: hij loopt tegen zes nullen op. Eén ervan ontrolt zich binnen enkele seconden voor mijn ogen: Germain heeft namelijk net 9-13 afgeleverd. Oogt logisch, maar daar is alles mee gezegd. Ik voel een por in mijn zij. Naast me staat een rijzige man, flinke haardos, donkere bril, forse baard en een jonge klare in zijn hand. “Leuk zetje”, fluistert hij.
Gelaten doet Germain, een door en door vriendelijke Haïtiaan die op enig moment in Nederland verzeild was geraakt en nooit meer is vertrokken, de schijven in het doosje. Hij kijkt berustend om zich heen, bijna melancholiek, met een zweem van een glimlach op de lippen. Hunkert zichtbaar naar de warmte van zijn geboorteland. Varkevisser bestelt ondertussen bij de bar een biertje. Wij staan er ook, de rijzige man en ik. Het is mijn eerste kennismaking met Herman van Meggelen. Mooi moment om mijn twijfels uit te spreken over dat probleem uit 1953, maar de weerlegging is, ik liet het al zien, fabuleus.
“Doe je wat aan problematiek?”, vraagt Herman. Omdat ik inmiddels enkele krakkemikkige werkstukjes heb samengesteld, durf ik dat te bevestigen. Met zachte hand voert hij me naar een tafel, drukt me in een stoel, gaat tegenover me zitten, vouwt het magnetisch zakdambordje open en strooit er bijna achteloos wat dammen en schijven op. “Vanmorgen in de trein zomaar uit de lucht komen vallen”, zegt hij enigszins bagatelliserend. Niet terecht, zo blijkt. Het is een aangenaam ogende stelling vol fraaie finesses:
Zwart blijkt nu plotseling volkomen uitgeteld te zijn. Alleen het offer (35-40) 45x34 geeft nog wat lucht, maar dat mag eigenlijk geen naam hebben. Op (16-21) volgt 6-44, op (49-21) 6-11, op (49-43) 6-39! en tot slot op (49-35) 34-30!
“Als je schijf 44 terugzet op 40, heb je een lekker motief, maar ik vermoed dat het met die twee witte dammen een hels karwei is om er iets fatsoenlijks op te maken”, voorspelt hij, waarna hij vele, vele handen te schudden heeft, want hij kent iedereen en iedereen kent hem.
Ik heb het gevoel in enkele minuten heel veel rijker te zijn geworden. Thuis speel ik nog eens dat motiefje na: wonderlijk hoeveel verschillende minicombinaties met zo weinig materiaal kunnen worden gerealiseerd. Een briljant motief, is mijn eerste conclusie. En wat ben ik nog een kleine jongen, is de tweede.
Den Bosch, 1979
Karel Sax is een vriend van Piet Lauwen en penningmeester van de Kring voor Damproblematiek (KVD). Sax vervult dit ambt met de zwier van een passant die beseft erin geluisd te zijn. Hij is ook de zoon van de eigenaar van Instituut Sax, waar de Bossche jeugd zich kan bekwamen in typen en andere vaardigheden ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf. In een van de typelokalen vindt de jaarlijkse reünie van de KVD plaats. Er staat een aftandse koffieautomaat, meer valt er voor de Kringleden, die het grootste deel van de zaterdag achter veel te kleine lessenaartjes door zullen brengen, niet te nuttigen. De ambiance kan dus beduidend beter.
Van Meggelen is er ook. Hij slaat zich manmoedig door de armetierige omstandigheden heen, maar als de laatste plichtplegingen zijn afgewerkt, klopt hij me op mijn schouder: “Hoog tijd voor een neutje, jongen”. Even later zitten we in de Bossche stationsrestauratie. We spoelen de tegenvallende reünie weg met een kopstootje (voor de geheelonthouders onder de lezers: een ‘kopstootje’ is de benaming voor een biertje en een jonge klare. Men neme een nipje klare en spoele deze weg met een slok bier. Een hemelse combinatie voor degene die ‘s anderendaags voldoende tijd en gelegenheid heeft om de kater te verteren). De asbak op het belegen Perzische tafelkleed vult zich langzaam met zijn Belinda-peuken en mijn Drum-shaggies. De gemoedelijke dame van dienst zweeft af en aan met glazen en kelkjes. Twee zakdambordjes liggen op tafel. De ene na de andere vondst passeert de revue, tot de laatste trein naar het hoge noorden een eind maakt aan een bijzondere avond. Vanaf dat moment onderhouden we een levendige correspondentie. Herman is een begenadigd brievenschrijver. Brieven van soms tientallen pagina’s, gelardeerd met vijftig, zestig diagrammen. Pareltjes zijn het (één ervan is terug te vinden in het jubileumboek van de KVD bij het veertigjarig bestaan in 1981).
Begin jaren tachtig ontmoeten we elkaar nog enkele keren, niet zo indringend en intensief als die avond in de Bossche stationsrestauratie, maar even inspirerend en steeds met een neut onder handbereik. Want Herman is een Bourgondiër en houdt van het leven. Hij zou zich als Brabander ongetwijfeld op zijn gemak hebben gevoeld.
Tilburg, augustus 1984
Telefoon. Gerrit van der Linde aan de lijn. “Heb je het al gehoord? Herman van Meggelen is vorige week overleden. Zomaar ineens weg. Zijn hart.” Ik vloek. Het wordt een lege en stille dag. De buitentemperatuur bereikt tropische waarden, maar ik ril: ik herlees zijn brieven, herproef de keren dat we elkaar hebben ontmoet en speel een groot aantal composities na. Wat is hij toch een geniale componist geweest, concludeer ik weer. Elk werkstuk bevat minimaal één moment dat een Aha-Erlebnis teweeg brengt. Routine is hem vreemd. En altijd is de aanvanggstelling een lust voor het oog. Want daaraan hecht hij grote waarde: “Een gerecht moet er appetijtelijk uitzien”, heeft hij me talloze malen voorgehouden. “Een compositie moet intrigeren, het plaatje moet tot oplossing uitnodigen. Als de stelling oogt als een bak hondenvoer, is je honger over.”
Hoogstandjes
Moeiteloos zouden tientallen pagina’s gevuld kunnen worden met voorbeelden van zijn opvattingen over de problematiek en het zouden stuk voor stuk technische hoogstandjes zijn. Het is dan ook de overweging waard om zijn complete oeuvre nog eens te verzamelen en uit te geven. Ik beperk me hier tot een aantal plaatjes die mij om wat voor reden dan ook altijd hebben aangesproken. Laten we beginnen met een lekker smeuïg vraagstuk waarin de zwarte dam mag kiezen op welke manier hij tenonder wil gaan. Daarin schuilt ook het bijzondere: het kan snel, pijnloos en esthetisch of langzaam maar niet minder esthetisch. In allebei de gevallen voltrekt het vonnis zich haarzuiver en dat is dan weer een fenomeen dat in de problematiek maar zelden voorkomt:
In onderstaand probleem maakt de zwarte dam een indrukwekkende reis en wel via de velden 47, 35, 2, 16 en 50. Het aantal vraagstukken waarin een zwarte dam alle bordranden bezoekt, lijkt me uiterst beperkt. Het is trouwens ook een komen en gaan op veld 35.
Een probleem dat Van Meggelen maakte met ir. Jaap Viergever en dat inmiddels de status van ‘evergreen’ heeft verworven. Het werd gepubiceerd in De Problemist 1961. De prachtige meerslagen en de granaatinslag 32-27 maken van dit probleem een absolute topper. Dat er na alle schermutselingen een onbevredigende hoeveelheid hout overblijft, nemen we graag voor lief:
Een krankzinnige constructie van Herman in samenwerking met Andreas Kuijken. Zij werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Dammen (mei 1988).
Het is op zich al knap dat zwart nog een onwaarschijnlijk subtiele tegencombinatie weet te ontdekken, maar het antwoord van wit, de slag van de witte dam naar 31, is ronduit geniaal gevonden. En dat dan allemaal in de gelimiteerde omvang van een miniatuur. We mogen dit schitterende ding typerend noemen voor Van Meggelens opvattingen over de problematiek.
Zo heeft elk werkstuk van Herman van Meggelen iets bijzonders. ‘Never a dull moment’, het kenmerk bij uitstek van een groot componist. Herman van Meggelen was een eminent problemist, wiens creatieve vermogen om onduidelijke redenen altijd
enigszins is onderschat. Voor mij behoort hij onbetwist tot de nationale top vijf der groten in het vak.
Wars van autoriteit
Dat de dammer Van Meggelen een begaafde persoonlijkheid is geweest, is inmiddels duidelijk. Rest de vraag wie de mens Van Meggelen nu eigenlijk was.
Hermannus van Meggelen werd geboren op 23 april 1931 in het Groningse Haren. Hij bleek een slim manneke dat niet alleen uitgesproken koppig en driftig was, maar ook al heel snel duidelijk maakte wars te zijn van alles wat riekte naar autoriteit. Boven hem geplaatst gezag kon hij maar moeilijk accepteren. Op de middelbare school kwam hij in aanraking met het damspel en wat later met de problematiek. Zijn eerste problemen dateren al van 1949 en zijn onder meer terug te vinden in Het Damspel. Degene die nog eens het verzameld werk van Van Meggelen wil boekstaven, zal stuiten op de omstandigheid dat Van Meggelen zich graag verschool achter een onafzienbare reeks pseudoniemen. Zo zijn mij Harmke A. Smid en A. Iserga bekend, alsmede natuurlijk P. van Manen (uit Heteren, zo stond er telkens bij vermeld), maar het is niet uitgesloten dat Van Meggelen nog tal van andere schuilnamen gebruikte. Aan dit soort mystificaties ontleende hij nu eenmaal een bijna vlegelachtig plezier.
Zijn leermeesters van het eerste uur waren problemisten en auteurs van naam. Mannen als W. B. Monsma en Harm Schurer hebben hem bekend gemaakt met de grondbeginselen, maar ook mensen en persoonlijke vrienden als Viergever en Van der Linde hebben veel betekend voor zijn ontwikkeling als problemist.
Na de middelbare school ging hij aan de slag in de verzekeringsbranche. Een prima baan, zo meldt zijn zoon Jan, maar wel een waarin hij de nodige gezagsdragers boven zich te dulden had. Uiteindelijk won de vrijheidsdrang het van de zekerheid en koos hij voor het vrije ondernemerschap. Hij begon een meubelzaak, eerst in Zuidlaren, later in Groningen.
Conjunctuurgevoelig als de meubelbranche is, ging het Van Meggelen in zakelijk opzicht niet altijd naar den vleze. Dat gold zeker begin jaren tachtig, toen de economische malaise haar dieptepunt had bereikt. Ik was een van de weinigen die over zijn geheim telefoonnummer beschikten, de rest van de burgerij moest proberen hem via zijn meubelzaak te spreken te krijgen - wat onbegonnen werk was.
Maar voor- of tegenspoed, zijn kinderen bewaren aan hem de dierbaarste herinneringen. Jan van Meggelen: “Mijn vader was creatief, onderzoekend en perfectionistisch waar het om het componeren ging. Daarnaast was hij een gevoels- en gezelschapsmens bij uitstek, hij had altijd bezoek. Dat kwam ook omdat hij zo goed kon luisteren, problemen oploste voor anderen en altijd op de bres stond voor zwakkeren. Hij had een goed hart. Nou ja figuurlijk dan... Groningse dammers voelden zich bij ons thuis. Het was een soort clubhuis voor ze. Er zijn, bijvoorbeeld door Hans Jansen en Jannes van der Wal, veel trainingen gegeven aan de spelers van DC Groningen (Roxy Dual). Ook is er bij ons thuis een competitie georganiseerd voor ieder die maar wilde komen. Dit resulteerde in een bont gezelschap van sterke dammers uit Drente, Friesland en Groningen.”
Het ging hier om de roemruchte woensdagavondcompetitie, waarvan zeer leesbare verslagen zijn gemaakt door onder anderen Van der Wal. “Ik denk”, besluit Jan van Meggelen, “met warmte aan hem terug. Mijn vader was een groot mens. Letterlijk en figuurlijk.” En dat was hij. Een groot mens en een groot componist.
“Natuurlijk wordt er in de hemel gedamd. Niveau? Tweede klasse Provinciaal Groninger Dambond, schat ik in.” (Citaat uit een brief van 28 juni 1982)
NASCHRIFT: Het offer van Bedum
Wat is de mooiste creatie van Van Meggelen? Ik zou daarop geen antwoord kunnen geven: in zijn verzameld werk zitten heel wat vondsten die de tand des tijds glansrijk zullen doorstaan. Maar als het dan toch moet, gaat mijn voorkeur uit naar de Laocoön uit 1953. Niet eens zozeer vanwege de esthetische kwaliteiten als wel op grond van de invloed die deze compositie op mij heeft gehad.
‘Het offer van Bedum’ (de term is van Auke Scholma) is nauw verwant aan de Laocoön: ook in deze positie legt een overweldigende meerderheid het uiteindelijk af. Naar deze stelling gaat de voorkeur uit van Hermans zoon Jan. Jan van Meggelen: “In het diagram heeft Andreas Kuyken het over het thema-Van Meggelen. Zwart heeft een dam en staat 4 stukken voor. Toch is het aan alle kanten verloren:
Zwart heeft niets beters dan (18-23). Na het slaan is de dubbele dreiging 7 of 8 beslissend.
In bovenstaand diagram heeft mijn vader dit motief verwerkt. Het werd gepubliceerd in het programmaboekje van het NK in Bedum 1980. De oplossing: 471! Omdat nu op (35) het vernietigende 450! volgt, moet zwart wel (47), waarna we via 461, 427 en 382!! in het thema-diagram terechtkomen. Helaas heeft Kuyken een bezwaar en dat is dat wit wellicht ook wint via 427, 471. 372 (44) 5 (40) 6 (36).” (Toch is die winst helemaal zo eenvoudig nog niet. Het programma Dam 2.2 bijvoorbeeld slaagt er niet in de stand voor wit naar winst te voeren. HW). “Daarom heeft Kuyken het motief nog eens bewerkt. Hij stelt voor deze compositie op naam van mijn vader te zetten:
De bewerking van Kuyken is mooi met een mooie natuurlijke stand, iets waar mijn vader altijd erg aan gehecht was. Ik heb het eerste diagram altijd fascinerend gevonden.”
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
zondag 19 september 2010
Jo Hobbelen, 1927-1985
Een kwarteeuw geleden reed Jo Hobbelen, waarschijnlijk verblind door de zon, met zijn taxi onder de boemel van Den Bosch naar Nijmegen. Daarmee kwam een eind aan het leven van een formidabel gewoon mens en een begenadigd dammer.
Ergens in de jaren zestig fietste ik als manneke van een jaar of vijftien, zestien, voor de eerste keer naar de damclub in Vught. VDC was 'thuis' in het patronaatsgebouw De Gouden Zonne, een hopeloos verwaarloosd bouwwerk dat in de hoogtijdagen van het Rijke Roomse Leven ongetwijfeld betere tijden had gekend. Een van gemeentewege aangestelde, hevig stotterende jongeman, Hans geheten, deed zijn uiterste best om er nog iets van te maken, maar het was vechten tegen de bierkaai en, vaak letterlijk, dweilen met de kraan open.
VDC zetelde op de eerste verdieping in een kamertje dat maar net groot genoeg was om alle leden te herbergen. Dat waren er overigens nooit meer dan vijftien. Mijn eerste partij, tegen ene Cees Lips, staat nog op mijn netvlies gebrand. Ik bracht het een heel eind, maar net op het moment waarop ik de remise in de wacht dacht te slepen, werd ik het slachtoffer van een finesse. "Toch heej dè mènneke d'r wel kèèk op", zei Lips tegen zijn kornuiten. Een week later haalde ik er wel remise uit en de week daarop won ik mijn eerste pot. Ik hoorde er voortaan helemaal bij.
Bloedbad
Het was een gezellige club en, gelet op het minimale aantal leden, niet eens zo'n slechte: ook al moesten we regelmatig met een man of acht, negen op stap, toch wist het eerste en enige tiental van VDC zich door de jaren heen moeiteloos te handhaven in de Brabantse hoofdklasse. En dan te bedenken - het was een van de favoriete filosofieën van de heren - dat de beste Vughtenaren elders hun heil hadden gezocht!
Het werd me al snel duidelijk dat het hier in feite alleen maar ging om Jo Hobbelen, een man die sinds 1944 bij het Bossche Excelsior damde en zeker in het Brabantse grote naam had gemaakt. Maar ook ver daarbuiten: hij had inmiddels alle groten in het vak wel zo'n beetje tegenover zich gekregen en ze hadden het bijna allemaal Spaans benauwd gehad. In de jaren vijftig en zestig was Jo vijf keer kampioen van Brabant geworden, in 1964 wist hij door te dringen tot het Nederlands Kampioenschap, waarin hij met 15 uit 15 een fraaie zevende plaats binnensleepte.
Zijn partijen haalden met de regelmaat van de klok de nationale en internationale dampers. Zo konden we in dat miezerige bovenkamertje van De Gouden Zonne nog steeds in alle bewondering genieten van de manier waarop Jo tijdens het Bevrijdingstoernooi 1970 (Eindhoven) eindspelcomponist Johan Bastiaannet al na een minuut of vijf verschrikkelijk onderuit had gehaald, een partij die daarna de hele wereld is overgegaan.

Dit bloedbad in beeld (ik put nu geheel uit mijn geheugen, de volgorde van de zetten kan in werkelijkheid een andere zijn geweest): 32-28 (16-21) 31-26 (18-22) 37-32 (11-16) 41-37 (7-11) 34-29 (20-24) 29x20 (15x24) 46-41 (1-7) 40-34 (21-27) 32x21 (16x27) 37-31 (10-15) 45-40 (5-10) 42-37 (15-20) 48-42? Hobbelen haalde er nu de volgende spetterende damcombinatie uit: (27-32!) 38x18 (12x32) 37x28 (24-29) 33x15 (17-21) 26x17 (11x33) 39x28 (14-20!) 15x24 (19x46) en alles is over en voorbij.
Zijn speelstijl was gedurfd. Hij hield ervan complicaties te creëren. Daarom was hij tegen mindere spelers ongekend productief. Jo permitteerde zich tegen deze spelers onverantwoorde risico's en het was prachtig om te zien hoe zijn tegenstanders langzaam maar zeker terechtkwamen in een spiraal die begon met een zekere ongerustheid en uit kon monden in opperste paniek en wanhoop. Kon, inderdaad, want meestal hadden zij in dit dramatische proces van geestelijk verval al in een veel eerder stadium de definitieve fout geproduceerd. Tegen gelijkwaardige of betere spelers nam hij wat gas terug, maar was zijn speelstijl nog steeds ronduit agressief. De aangehaalde partij tegen Bastiaannet is daarvan een voorbeeld. De openingsopzet van zwart is, zeker na (15-20), uiterst dubieus, maar nog net speelbaar. Soms viel hij in zijn eigen mes. Zijn avontuurlijke inborst vereiste diepzinnig rekenwerk. Daardoor was hij af en toe geneigd juist de hele simpele en elementaire dingen over het hoofd te zien. Ik heb hem tegen Maertzdorf (Excelsior - Treebeek) eens in een 2 om 7 zien vliegen.
Arbeiderszoon
Eens per jaar organiseerde het bestuur van VDC het Open Kampioenschap van Vught. Dat was een happening die doorgaans acht maandagavonden in beslag nam en waarop, behalve de leden van VDC, toch gauw zo'n drie dammers 'van buiten' afkwamen. Groot was de bestuurlijke vreugde - we leven inmiddels begin jaren zeventig - toen bekend werd dat niemand minder dan Hobbelen zich voor een van die open toernooien had ingeschreven. Zo maakte ik begin jaren zeventig voor het eerst met hem kennis.
We konden het - vanaf dat eerste moment tot zijn dood - goed met elkaar vinden. Ik vond hem meteen een bijzondere man. Hij wekte enigszins - toch had hij in rond Brabants 'geen spatjes' - de indruk een man in bonus te zijn, niet in de laatste plaats door zijn bekakte tongval. De werkelijkheid was echter aanzienlijk minder poëtisch.
Zijn levensverhaal was het verhaal van velen die in de jaren twintig waren geboren. Opgegroeid in armoe was hij net als zijn leeftijdgenoten al op jeugdige leeftijd door de nood gedwongen toegetreden tot de arbeidersstand die het naoorlogse Nederland erbovenop moest helpen. Jo werkte, tot zijn rug het begaf, als bouwvakker. Hij had een begenadigd docent, mathematicus of jurist kunnen zijn: de intelligentie was er, het geld niet. En ware het geld er wel geweest, dan zou het zijn ouders naar alle waarschijnlijkheid aan de wil hebben ontbroken. Onze Lieve Heer had nu eenmaal rangen en standen gewild en als er geen arbeidersklasse meer zou zijn, zouden de hele maatschappij, de rooms-katholieke zuil en de Heilige Moederkerk in elkaar donderen. En hoe zoet was niet de beloning ná het bestaan op dit ondermaanse?
Wie zich niet in deze beklemmende en bekrompen wereldorde kon vinden en zich toch als arbeiderszoon probeerde op te werken, kreeg problemen. Dat werd gezien als een vorm van onchristelijke hoogmoed die kwam te staan op een visite van de parochieherder. En leverde dat niet het gewenste resultaat op, dan was er nog altijd het hoofd van de lagere school, die het zich tot taak rekende het Rijke Roomsche Leven te dienen door de zonen en dochters van katholieke arbeiders naar de Ambachts- of de Huishoudschool te sturen. Werkelijk begaafden mochten naar de MULO. HBS en MMS waren uitgesloten en het Gymnasium was alleen toegankelijk voor de arbeiderszoon die priester wilde worden. Of zei dat te willen. Deze U-bocht constructie heeft vanuit de katholieke arbeidersstand toch nog een aantal grote mensen voortgebracht.
Maar zoals gezegd, Jo hoorde niet bij deze groep. Hij was gedwongen zijn rug dag na dag op bouwsteigers de vernieling in te werken. En velen met hem. Mijn vader bijvoorbeeld, als 'stoker eerste klas' in dienst van 'De Godshuizen', een door clericalen en nonnen bestierde psychiatrische inrichting, verpestte dag na dag in en rond de ketelhuizen zijn longen (hij stierf in 1994, volkomen kapot, uitgemergeld en uitgeput, op 67-jarige leeftijd). Ook mijn vader was een intelligent en uiterst belezen mens. Maar als kind van dezelfde generatie was het hem evenmin gegeven zich te ontworstelen aan de tijdgeest. Aan mijn opa heeft het overigens niet gelegen, aan mijn oma des te meer. Dat mens was roomser dan de paus - 'fijner dan gemalen poppenstront' zou de Brabander zeggen. Als manneke van hooguit vier, vijf jaar heb ik mijn opa tijdens het kaarten eens mals horen vloeken. "Dat ga je biechten, Nico!", beet oma hem toe, maar voor dit soort commando's was hij in de loop der jaren tamelijk ongevoelig geworden. Tot mijn verbazing trok ze haar jas aan en vertrok, op weg naar een plaatsvervangende biecht (die vanuit kerkelijk-juridisch perspectief waarschijnlijk niet eens geldig is geweest, ook dat nog).
Er lagen derhalve duidelijke parallellen tussen het leven van Jo en mijn vader. Dat zal een van de redenen zijn geweest dat het tussen Jo en mij altijd uitstekend heeft geboterd.
Heer van stand
Jo zocht en vond ruimschoots compensatie in de dammerij. In dit wereldje was zijn naam gevestigd, werd hij met egards omringd, was hij een veel gevraagd bestuurslid, mede-organisator, schrijver en rubricist. Wellicht heeft zijn bekakte tongval alles te maken met zijn vooraanstaande positie in de damwereld. Ik heb hem bijvoorbeeld nooit horen vloeken. Een welgemeend 'gatsie!' was zo ongeveer zijn krachtigste uiting van ongenoegen, op de voet gevolgd door 'vrééslijk sag!'. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat hij zich met dit taalgebruik in de bouw staande kon houden. Waarschijnlijk hebben wij, dammers, daarom altijd te maken gehad met slechts één kant van Jo Hobbelen, maar naar ik vermoed wel de echte. Omdat hij in de damwereld was wat hij in het maatschappelijk leven ook had willen zijn. Een jongen van het volk die op eigen kracht een heer van stand was geworden.
Fabelachtig
Het ging er spannend aan toe in dat Vughtse kampioenschap. Jo had één puntje meer dan ik, het onderlinge duel in de laatste ronde moest de beslissing brengen. Het werd een partij op het scherpst van de snede vanuit de toen immens populaire 33-29 (17-22) opening. Uiteindelijk kwam ik met wit in de volstrekt inferieure diagramstelling terecht, waarin ik weinig anders had dan het armoedige 48-42. Het wemelt nu van de damzetten, maar het doorrekenen van de gevolgen ervan is geen sinecure. Hobbelen nam een afwikkeling die niets meer opleverde dan remise. Hij had het karwei echter op een fabelachtige manier kunnen afmaken.
48-42? (26-31) 37x26 (17-22) 28x17 (12x21) 23x2 (13-18) 26x17 (36-41) 47x36 (27-32) 38x27 (18-23) 29x18 (20x47) 3x20 (47x34) 30x39 (15x24).
Hobbelen maakte nu en dan ook damproblemen. Af en toe verschenen er problemen van zijn hand in bladen zoals Het Damspel, De Problemist of het clubblad van Excelsior, maar ze waren op de vingers van één hand te tellen en de kwaliteit was niet altijd denderend. Af en toe echter schoot hij uit zijn slof met een juweeltje. Zijn mooiste is zonder twijfel deze:
Wit wint door 49-43 (40x49) 32-28 (23x32) 41-37 (32x41) 22-18 (13x31) 33-29 (24x44) 35x4 (16x27) 42-37 (31x33) 4x16 (49x21) 16x15!
Dat er met Jo nog eens iets zou gebeuren, heb ik altijd vermoed en gevreesd. Hij was op gezette tijden een roekeloos rijder. In zijn Skoda Sport bijvoorbeeld, die hij had aangeschaft toen hij een vette prijs gewonnen had in de voetbaltoto. Het was een vehicel dat bij 90 kilometer per uur al aardig begon te trillen en ook voor de rest meer uit garen en band leek te bestaan dan uit solide materialen. Maar dat kon hem niet deren. Zo reed Jo op de terugweg vanuit Roosendaal (waar we hadden deelgenomen aan een sneldamtoernooi) naar Vught vlotweg 140 kilometer per uur, terwijl het gutste van de regen, de storm door de kieren van de auto gierde en aquaplaning ons van de ene naar de andere kant dreef.
"Dat gaat nog eens goed fout, Jo", zei ik. Hij moest er hartelijk om lachen. "Ach, jongen, het komt zoals het komt."
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Vughtenaar op overweg gedood
Op een overweg onder Nuland is gistermiddag de Vughtenaar J. Hobbelen (58) verongelukt. Hij botste met zijn taxi tegen een personentrein uit de richting Den Bosch. Met het overlijden van de Vughtenaar Jo Hobbelen is een dammer van formaat heengegaan. Hobbelen werd in de jaren vijftig en zestig vijf maal kampioen van Brabant; in 1964 nam hij deel aan de strijd om het Nederlands kampioenschap. Als clubspeler was hij verbonden aan de Bossche vereniging Excelsior. Binnen de Nederlandse dambond was Hobbelen op vele manieren actief. Zo bekleedde hij zowel nationaal als regionaal de functie van wedstrijdleider. Hij verhoogde het spelpeil van de jeugd van onder meer Vught, Boxtel, St. Michielsgestel, Veghel en Schijndel. Voor de blinden-damsport maakte hij zich verdienstelijk door partijen te analyseren en de analyses vervolgens in te spreken op banden. (Brabants Dagblad, 26 en 27 juli 1985)
Ergens in de jaren zestig fietste ik als manneke van een jaar of vijftien, zestien, voor de eerste keer naar de damclub in Vught. VDC was 'thuis' in het patronaatsgebouw De Gouden Zonne, een hopeloos verwaarloosd bouwwerk dat in de hoogtijdagen van het Rijke Roomse Leven ongetwijfeld betere tijden had gekend. Een van gemeentewege aangestelde, hevig stotterende jongeman, Hans geheten, deed zijn uiterste best om er nog iets van te maken, maar het was vechten tegen de bierkaai en, vaak letterlijk, dweilen met de kraan open.
VDC zetelde op de eerste verdieping in een kamertje dat maar net groot genoeg was om alle leden te herbergen. Dat waren er overigens nooit meer dan vijftien. Mijn eerste partij, tegen ene Cees Lips, staat nog op mijn netvlies gebrand. Ik bracht het een heel eind, maar net op het moment waarop ik de remise in de wacht dacht te slepen, werd ik het slachtoffer van een finesse. "Toch heej dè mènneke d'r wel kèèk op", zei Lips tegen zijn kornuiten. Een week later haalde ik er wel remise uit en de week daarop won ik mijn eerste pot. Ik hoorde er voortaan helemaal bij.
Bloedbad
Het was een gezellige club en, gelet op het minimale aantal leden, niet eens zo'n slechte: ook al moesten we regelmatig met een man of acht, negen op stap, toch wist het eerste en enige tiental van VDC zich door de jaren heen moeiteloos te handhaven in de Brabantse hoofdklasse. En dan te bedenken - het was een van de favoriete filosofieën van de heren - dat de beste Vughtenaren elders hun heil hadden gezocht!
Het werd me al snel duidelijk dat het hier in feite alleen maar ging om Jo Hobbelen, een man die sinds 1944 bij het Bossche Excelsior damde en zeker in het Brabantse grote naam had gemaakt. Maar ook ver daarbuiten: hij had inmiddels alle groten in het vak wel zo'n beetje tegenover zich gekregen en ze hadden het bijna allemaal Spaans benauwd gehad. In de jaren vijftig en zestig was Jo vijf keer kampioen van Brabant geworden, in 1964 wist hij door te dringen tot het Nederlands Kampioenschap, waarin hij met 15 uit 15 een fraaie zevende plaats binnensleepte.
Zijn partijen haalden met de regelmaat van de klok de nationale en internationale dampers. Zo konden we in dat miezerige bovenkamertje van De Gouden Zonne nog steeds in alle bewondering genieten van de manier waarop Jo tijdens het Bevrijdingstoernooi 1970 (Eindhoven) eindspelcomponist Johan Bastiaannet al na een minuut of vijf verschrikkelijk onderuit had gehaald, een partij die daarna de hele wereld is overgegaan.

Dit bloedbad in beeld (ik put nu geheel uit mijn geheugen, de volgorde van de zetten kan in werkelijkheid een andere zijn geweest): 32-28 (16-21) 31-26 (18-22) 37-32 (11-16) 41-37 (7-11) 34-29 (20-24) 29x20 (15x24) 46-41 (1-7) 40-34 (21-27) 32x21 (16x27) 37-31 (10-15) 45-40 (5-10) 42-37 (15-20) 48-42? Hobbelen haalde er nu de volgende spetterende damcombinatie uit: (27-32!) 38x18 (12x32) 37x28 (24-29) 33x15 (17-21) 26x17 (11x33) 39x28 (14-20!) 15x24 (19x46) en alles is over en voorbij.Zijn speelstijl was gedurfd. Hij hield ervan complicaties te creëren. Daarom was hij tegen mindere spelers ongekend productief. Jo permitteerde zich tegen deze spelers onverantwoorde risico's en het was prachtig om te zien hoe zijn tegenstanders langzaam maar zeker terechtkwamen in een spiraal die begon met een zekere ongerustheid en uit kon monden in opperste paniek en wanhoop. Kon, inderdaad, want meestal hadden zij in dit dramatische proces van geestelijk verval al in een veel eerder stadium de definitieve fout geproduceerd. Tegen gelijkwaardige of betere spelers nam hij wat gas terug, maar was zijn speelstijl nog steeds ronduit agressief. De aangehaalde partij tegen Bastiaannet is daarvan een voorbeeld. De openingsopzet van zwart is, zeker na (15-20), uiterst dubieus, maar nog net speelbaar. Soms viel hij in zijn eigen mes. Zijn avontuurlijke inborst vereiste diepzinnig rekenwerk. Daardoor was hij af en toe geneigd juist de hele simpele en elementaire dingen over het hoofd te zien. Ik heb hem tegen Maertzdorf (Excelsior - Treebeek) eens in een 2 om 7 zien vliegen.
Arbeiderszoon
Eens per jaar organiseerde het bestuur van VDC het Open Kampioenschap van Vught. Dat was een happening die doorgaans acht maandagavonden in beslag nam en waarop, behalve de leden van VDC, toch gauw zo'n drie dammers 'van buiten' afkwamen. Groot was de bestuurlijke vreugde - we leven inmiddels begin jaren zeventig - toen bekend werd dat niemand minder dan Hobbelen zich voor een van die open toernooien had ingeschreven. Zo maakte ik begin jaren zeventig voor het eerst met hem kennis.
We konden het - vanaf dat eerste moment tot zijn dood - goed met elkaar vinden. Ik vond hem meteen een bijzondere man. Hij wekte enigszins - toch had hij in rond Brabants 'geen spatjes' - de indruk een man in bonus te zijn, niet in de laatste plaats door zijn bekakte tongval. De werkelijkheid was echter aanzienlijk minder poëtisch.
Zijn levensverhaal was het verhaal van velen die in de jaren twintig waren geboren. Opgegroeid in armoe was hij net als zijn leeftijdgenoten al op jeugdige leeftijd door de nood gedwongen toegetreden tot de arbeidersstand die het naoorlogse Nederland erbovenop moest helpen. Jo werkte, tot zijn rug het begaf, als bouwvakker. Hij had een begenadigd docent, mathematicus of jurist kunnen zijn: de intelligentie was er, het geld niet. En ware het geld er wel geweest, dan zou het zijn ouders naar alle waarschijnlijkheid aan de wil hebben ontbroken. Onze Lieve Heer had nu eenmaal rangen en standen gewild en als er geen arbeidersklasse meer zou zijn, zouden de hele maatschappij, de rooms-katholieke zuil en de Heilige Moederkerk in elkaar donderen. En hoe zoet was niet de beloning ná het bestaan op dit ondermaanse?
Wie zich niet in deze beklemmende en bekrompen wereldorde kon vinden en zich toch als arbeiderszoon probeerde op te werken, kreeg problemen. Dat werd gezien als een vorm van onchristelijke hoogmoed die kwam te staan op een visite van de parochieherder. En leverde dat niet het gewenste resultaat op, dan was er nog altijd het hoofd van de lagere school, die het zich tot taak rekende het Rijke Roomsche Leven te dienen door de zonen en dochters van katholieke arbeiders naar de Ambachts- of de Huishoudschool te sturen. Werkelijk begaafden mochten naar de MULO. HBS en MMS waren uitgesloten en het Gymnasium was alleen toegankelijk voor de arbeiderszoon die priester wilde worden. Of zei dat te willen. Deze U-bocht constructie heeft vanuit de katholieke arbeidersstand toch nog een aantal grote mensen voortgebracht.
Maar zoals gezegd, Jo hoorde niet bij deze groep. Hij was gedwongen zijn rug dag na dag op bouwsteigers de vernieling in te werken. En velen met hem. Mijn vader bijvoorbeeld, als 'stoker eerste klas' in dienst van 'De Godshuizen', een door clericalen en nonnen bestierde psychiatrische inrichting, verpestte dag na dag in en rond de ketelhuizen zijn longen (hij stierf in 1994, volkomen kapot, uitgemergeld en uitgeput, op 67-jarige leeftijd). Ook mijn vader was een intelligent en uiterst belezen mens. Maar als kind van dezelfde generatie was het hem evenmin gegeven zich te ontworstelen aan de tijdgeest. Aan mijn opa heeft het overigens niet gelegen, aan mijn oma des te meer. Dat mens was roomser dan de paus - 'fijner dan gemalen poppenstront' zou de Brabander zeggen. Als manneke van hooguit vier, vijf jaar heb ik mijn opa tijdens het kaarten eens mals horen vloeken. "Dat ga je biechten, Nico!", beet oma hem toe, maar voor dit soort commando's was hij in de loop der jaren tamelijk ongevoelig geworden. Tot mijn verbazing trok ze haar jas aan en vertrok, op weg naar een plaatsvervangende biecht (die vanuit kerkelijk-juridisch perspectief waarschijnlijk niet eens geldig is geweest, ook dat nog).
Er lagen derhalve duidelijke parallellen tussen het leven van Jo en mijn vader. Dat zal een van de redenen zijn geweest dat het tussen Jo en mij altijd uitstekend heeft geboterd.
Heer van stand
Jo zocht en vond ruimschoots compensatie in de dammerij. In dit wereldje was zijn naam gevestigd, werd hij met egards omringd, was hij een veel gevraagd bestuurslid, mede-organisator, schrijver en rubricist. Wellicht heeft zijn bekakte tongval alles te maken met zijn vooraanstaande positie in de damwereld. Ik heb hem bijvoorbeeld nooit horen vloeken. Een welgemeend 'gatsie!' was zo ongeveer zijn krachtigste uiting van ongenoegen, op de voet gevolgd door 'vrééslijk sag!'. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat hij zich met dit taalgebruik in de bouw staande kon houden. Waarschijnlijk hebben wij, dammers, daarom altijd te maken gehad met slechts één kant van Jo Hobbelen, maar naar ik vermoed wel de echte. Omdat hij in de damwereld was wat hij in het maatschappelijk leven ook had willen zijn. Een jongen van het volk die op eigen kracht een heer van stand was geworden.
Fabelachtig
Het ging er spannend aan toe in dat Vughtse kampioenschap. Jo had één puntje meer dan ik, het onderlinge duel in de laatste ronde moest de beslissing brengen. Het werd een partij op het scherpst van de snede vanuit de toen immens populaire 33-29 (17-22) opening. Uiteindelijk kwam ik met wit in de volstrekt inferieure diagramstelling terecht, waarin ik weinig anders had dan het armoedige 48-42. Het wemelt nu van de damzetten, maar het doorrekenen van de gevolgen ervan is geen sinecure. Hobbelen nam een afwikkeling die niets meer opleverde dan remise. Hij had het karwei echter op een fabelachtige manier kunnen afmaken.
48-42? (26-31) 37x26 (17-22) 28x17 (12x21) 23x2 (13-18) 26x17 (36-41) 47x36 (27-32) 38x27 (18-23) 29x18 (20x47) 3x20 (47x34) 30x39 (15x24).Hobbelen maakte nu en dan ook damproblemen. Af en toe verschenen er problemen van zijn hand in bladen zoals Het Damspel, De Problemist of het clubblad van Excelsior, maar ze waren op de vingers van één hand te tellen en de kwaliteit was niet altijd denderend. Af en toe echter schoot hij uit zijn slof met een juweeltje. Zijn mooiste is zonder twijfel deze:
Wit wint door 49-43 (40x49) 32-28 (23x32) 41-37 (32x41) 22-18 (13x31) 33-29 (24x44) 35x4 (16x27) 42-37 (31x33) 4x16 (49x21) 16x15!Dat er met Jo nog eens iets zou gebeuren, heb ik altijd vermoed en gevreesd. Hij was op gezette tijden een roekeloos rijder. In zijn Skoda Sport bijvoorbeeld, die hij had aangeschaft toen hij een vette prijs gewonnen had in de voetbaltoto. Het was een vehicel dat bij 90 kilometer per uur al aardig begon te trillen en ook voor de rest meer uit garen en band leek te bestaan dan uit solide materialen. Maar dat kon hem niet deren. Zo reed Jo op de terugweg vanuit Roosendaal (waar we hadden deelgenomen aan een sneldamtoernooi) naar Vught vlotweg 140 kilometer per uur, terwijl het gutste van de regen, de storm door de kieren van de auto gierde en aquaplaning ons van de ene naar de andere kant dreef.
"Dat gaat nog eens goed fout, Jo", zei ik. Hij moest er hartelijk om lachen. "Ach, jongen, het komt zoals het komt."
De man, die alleen in de auto zat, reed omstreeks kwart over vier vanuit de richting Nuland de spoorwegovergang op. De overweglichten waren op dat moment in werking. De taxi werd gegrepen door de aansnellende trein. De bestuurder was op slag dood. De trein sleurde het motorgedeelte van de auto vierhonderd meter mee. (Brabants Dagblad, 26 juli 1985)
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Labels:
Bastiaannet Johan,
Brabants Dagblad,
Eindhoven,
Excelsior damclub,
Godshuizen,
Gouden Zonne de,
Hobbelen Jo,
Maertzdorf W.,
Nuland,
Roosendaal,
VDC,
Vught,
Vughtse Damclub
zondag 12 september 2010
Tweede film over D'n Atelier
In april kon de bezoeker op deze blog kennisnemen van een uit 1928 daterende film over de Centrale Werkplaats van de NS in Tilburg, in de volksmond 'D'n Atelier' genoemd. Nog eens terugkijken? Dat kan hier. Een van de lezers attendeerde me op een andere film over D'n Atelier die hij bij toeval ergens in een uithoekje op internet had ontdekt. Het filmpje is van recentere datum (1947), maar daarom zeker niet minder boeiend.
Uit de korte film - maar net een minuutje - valt te destilleren dat de Nederlandse Spoorwegen twee jaar na de oorlog nog steeds volop aan de wederopbouw bezig waren en klaarblijkelijk onverminderd te kampen hadden met een groot gebrek aan wat in spoorkringen ietwat badinerend 'rollend materieel' wordt genoemd. Het verkeer op het spoor was in die eerste naoorlogse jaren (groten)deels afhankelijk van door de Britten waarschijnlijk afgedankte Engelse locomotieven.
Meer tot de verbeelding sprekend beeldmateriaal over D'n Atelier kan men in overvloed vinden op de website van het Regionaal Archief Tilburg.
Belangstelling voor de gang van zaken in de moderne werkplaatsen? Bezoek dan de website van NedTrain of klik hier voor de bedrijfsfilm van dit bedrijf.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Uit de korte film - maar net een minuutje - valt te destilleren dat de Nederlandse Spoorwegen twee jaar na de oorlog nog steeds volop aan de wederopbouw bezig waren en klaarblijkelijk onverminderd te kampen hadden met een groot gebrek aan wat in spoorkringen ietwat badinerend 'rollend materieel' wordt genoemd. Het verkeer op het spoor was in die eerste naoorlogse jaren (groten)deels afhankelijk van door de Britten waarschijnlijk afgedankte Engelse locomotieven.
Meer tot de verbeelding sprekend beeldmateriaal over D'n Atelier kan men in overvloed vinden op de website van het Regionaal Archief Tilburg.
Belangstelling voor de gang van zaken in de moderne werkplaatsen? Bezoek dan de website van NedTrain of klik hier voor de bedrijfsfilm van dit bedrijf.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
donderdag 9 september 2010
‘Besjònkele’
Het gaat hard in mijn familie en omgeving. De een na de ander verlaat dit ondermaanse. Tijdens al die uitvaartdiensten en koffietafels besef je steeds meer dat je, naarmate je ouder wordt, zelf ook almaar dichter in de buurt komt van het deel van het bos waar wordt gekapt. En dan ben je, op enig moment, zelf aan de beurt en ga je er vantussen in de hoop dat de achterblijvers af en toe nog eens aan je denken. Op 2 november, Allerzielen, ben ik daarom van de partij. Dan wil ik al die mensen die zomaar ineens uit mijn leven zijn weggetrokken niet teleurstellen. Ik ben ze niet vergeten.
De dag ervoor, op 1 november, herdenken katholieken hun heiligen, voor onze voorouders en ouders een plechtige aangelegenheid. Hun leven was doordrenkt van heiligen en hun voorspraak. Antonius van Padua werd bijvoorbeeld aangeroepen als men iets kwijt was, Sint Jozef voor een zalige dood en Moeder Maria voor al het menselijk leed. Honderden heiligen werden aanbeden. Nog altijd trouwens: zo viel onlangs te lezen dat ene Isidorus van Sevilla is uitgeroepen tot patroonheilige van het internet, omdat hij zo’n 1500 jaar geleden als een der eersten een encyclopedie heeft geschreven waarin vrijwel alle toenmalige kennis verzameld was.
Heiligen namen in het vaak armoedige en zware leven van alledag dus een vooraanstaande plaats in, maar aan de andere kant eigenlijk ook weer niet. Hun kostje was namelijk volgens het katholieke geloof van toen al lang en breed gekocht: zij zaten hoog en droog bij Onze Lieve Heer in de hemel. Zo verwoordden ze het natuurlijk niet, onze vaders, moeders en voorouders, maar zo dachten ze er stiekem wel over. Want ze wisten dat de zaken voor gewone stervelingen helemaal anders lagen: die hadden nog een allemachtig lange weg te gaan voordat zij zich bij Petrus mochten melden. Daarom was voor hen Allerzielen veel belangrijker.
Vagevuur
Allerzielen stond (en staat) dus in het teken van de overledenen. Daar kwam heel wat bij kijken. Enkele dagen tevoren al togen de gelovigen met emmers water, groene zeep, bezems, borstels, winterharde planten en bolchrysanten naar het kerkhof. Bij terugkomst werden pannenkoeken gebakken en bij een borrel herinneringen opgehaald.
Het echte werk werd echter bewaard voor de dag zelf. Allerzielen was namelijk bij uitstek de dag om ervoor te zorgen dat de zielen van de stervelingen in het vagevuur zo snel mogelijk aan de hemelpoort mochten aankloppen. Dat heeft in onze contreien tot een boeiend fenomeen geleid, het zogenoemde ‘besjònkele’, oftewel het verdienen van ‘volle aflaten’. Elk nieuw kerkbezoek op Allerzielen betekende een nieuwe aflaat en bracht de overledene een stapje dichter bij de hemel, mits in de kerk zes Onzevaders, zes Weesgegroetjes en één schietgebed werden gebeden. Het moet een bijzonder schouwspel zijn geweest: honderden gelovigen die de kerk instormden, in hoog tempo al die gebeden afwerkten, vliegensvlug de kerk verlieten – natuurlijk niet zonder nog even bij het wijwatervat een kruisje te hebben gemaakt – en meteen weer de kerk insnelden voor de volgende aflaat.
Zo doen wij het niet meer tegenwoordig. Niks volle aflaten. Gewoon meteen voluit en vol overgave aan de borrel.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
De dag ervoor, op 1 november, herdenken katholieken hun heiligen, voor onze voorouders en ouders een plechtige aangelegenheid. Hun leven was doordrenkt van heiligen en hun voorspraak. Antonius van Padua werd bijvoorbeeld aangeroepen als men iets kwijt was, Sint Jozef voor een zalige dood en Moeder Maria voor al het menselijk leed. Honderden heiligen werden aanbeden. Nog altijd trouwens: zo viel onlangs te lezen dat ene Isidorus van Sevilla is uitgeroepen tot patroonheilige van het internet, omdat hij zo’n 1500 jaar geleden als een der eersten een encyclopedie heeft geschreven waarin vrijwel alle toenmalige kennis verzameld was.
Heiligen namen in het vaak armoedige en zware leven van alledag dus een vooraanstaande plaats in, maar aan de andere kant eigenlijk ook weer niet. Hun kostje was namelijk volgens het katholieke geloof van toen al lang en breed gekocht: zij zaten hoog en droog bij Onze Lieve Heer in de hemel. Zo verwoordden ze het natuurlijk niet, onze vaders, moeders en voorouders, maar zo dachten ze er stiekem wel over. Want ze wisten dat de zaken voor gewone stervelingen helemaal anders lagen: die hadden nog een allemachtig lange weg te gaan voordat zij zich bij Petrus mochten melden. Daarom was voor hen Allerzielen veel belangrijker.
Vagevuur
Allerzielen stond (en staat) dus in het teken van de overledenen. Daar kwam heel wat bij kijken. Enkele dagen tevoren al togen de gelovigen met emmers water, groene zeep, bezems, borstels, winterharde planten en bolchrysanten naar het kerkhof. Bij terugkomst werden pannenkoeken gebakken en bij een borrel herinneringen opgehaald.Het echte werk werd echter bewaard voor de dag zelf. Allerzielen was namelijk bij uitstek de dag om ervoor te zorgen dat de zielen van de stervelingen in het vagevuur zo snel mogelijk aan de hemelpoort mochten aankloppen. Dat heeft in onze contreien tot een boeiend fenomeen geleid, het zogenoemde ‘besjònkele’, oftewel het verdienen van ‘volle aflaten’. Elk nieuw kerkbezoek op Allerzielen betekende een nieuwe aflaat en bracht de overledene een stapje dichter bij de hemel, mits in de kerk zes Onzevaders, zes Weesgegroetjes en één schietgebed werden gebeden. Het moet een bijzonder schouwspel zijn geweest: honderden gelovigen die de kerk instormden, in hoog tempo al die gebeden afwerkten, vliegensvlug de kerk verlieten – natuurlijk niet zonder nog even bij het wijwatervat een kruisje te hebben gemaakt – en meteen weer de kerk insnelden voor de volgende aflaat.
Zo doen wij het niet meer tegenwoordig. Niks volle aflaten. Gewoon meteen voluit en vol overgave aan de borrel.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
dinsdag 31 augustus 2010
Opschrijfboekje
Stukjesschrijvers hebben altijd een handzaam notitieboekje onder handbereik om beklijvenswaardige zaken op te tekenen en plotselinge invallen vast te leggen. Zeker dat laatste is van belang: de mooiste invallen plegen zich namelijk midden in de nacht in bed te manifesteren en de ervaring leert dat ze subiet op papier moeten worden gezet omdat ze de kwalijke eigenschap hebben de volgende ochtend niet meer reproduceerbaar te zijn.
Van Simon Carmiggelt is bekend dat hij, door schade en schande wijs geworden, altijd een piepklein notitieboekje op zijn nachtkastje had liggen. Daarover heeft hij in Het Parool eens een kostelijk cursiefje geschreven, maar de lezer duide het mij niet euvel dat ik niet meer weet wanneer en dat ik nu even te lui ben om dat uit te zoeken. De clou was, naar ik meen, dat hij midden in de nacht een onwaarschijnlijk fraaie ingeving kreeg en die meteen in het boekje krabbelde. De volgende ochtend greep hij onmiddellijk naar het boekje – want iets in zijn achterhoofd zei hem dat hij een paar uur eerder een wonderbaarlijke vondst had genoteerd – en las: ‘Eekhoorntje op lange weg.’ Notitieboekjes vormen dus niet altijd de opmaat naar onsterfelijkheid.
Mijn opschrijfboekskes staan vol aantekeningen, uittreksels van boeken, citaten, kattebelletjes, woordvondsten, cryptische omschrijvingen - dubieus audiologisch centrum (17 letters)* - et cetera. Veel is inhoudelijk te mager om er een stukje over te schrijven, maar ook weer te aardig om er niets mee te doen. De oplossing? Verzamel er een paar en zet er ‘Gemengde berichten’ of ‘Opschrijfboekje’ boven. Zelfs Carmiggelt deed het in Het Parool op gezette tijden.
Neologismen
Neologismen zijn nieuwe woorden of uitdrukkingen. Van Kooten en De Bie hebben op dit punt hun onnavolgbare sporen in de Nederlandse taal achtergelaten. Zomaar een greep: bescheurkalender, stoned als een garnaal, vrije jongens, op hun pik getrapt, doemdenken, krommunicatie, geilneef, regelneef, en wel hierom.
In een van mijn opschrijfboekjes staan er twee van eigen makelij: als een fiscalist verstand heeft van belastingen, dan heeft een fecalist verstand van stront. En als een pedicure alles weet van voeten, dan zal het duidelijk zijn waar de kracht ligt van de penicure. Mooie vondsten, al zeg ik het zelf, maar zijn ze ook werkelijk nieuw? Google geeft het antwoord: de fecalist is één keer eerder voor het voetlicht getreden en wel in de gemeente Oldenzaal. Daar heeft de ‘kynologisch fecalist’ van de gemeente enige tijd geleden in een stampvol dorpshuis het gemeentelijk hondenpoepbeleid toegelicht. En ook de penicure is eerder gehanteerd, door de feministe Ariane Amsberg. Vrijwel alles is al bedacht, zo lijkt het.
Levenswandel
Prachtig proza over Carmiggelt in een column van Sylvia Witteman in de Volkskrant van 3 oktober 2009:
Huisarts en oud-politicus Rob Oudkerk schreef in maart 2009 in Farmamagazine over tact:
Geen compacter en ondoorgrondelijker taalgebruik dan dat in Engelse krantenkoppen. Vandaag, dinsdag 31 augustus, zag ik er weer een in de tabloid The Sun: ‘Craig: choose chan or bri to get boot’. Briljant, in het bijzonder dankzij de fijnzinnige alliteratie, maar voor het overige volslagen onbegrijpelijke wartaal. Ook Nederlandse journalisten kunnen er trouwens wat van. Neem die van enkele weken geleden na een zielige voetbalpot van de Rotterdammers: 'Feyenoord heeft geen ballen'.
* afluisterpraktijk
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Van Simon Carmiggelt is bekend dat hij, door schade en schande wijs geworden, altijd een piepklein notitieboekje op zijn nachtkastje had liggen. Daarover heeft hij in Het Parool eens een kostelijk cursiefje geschreven, maar de lezer duide het mij niet euvel dat ik niet meer weet wanneer en dat ik nu even te lui ben om dat uit te zoeken. De clou was, naar ik meen, dat hij midden in de nacht een onwaarschijnlijk fraaie ingeving kreeg en die meteen in het boekje krabbelde. De volgende ochtend greep hij onmiddellijk naar het boekje – want iets in zijn achterhoofd zei hem dat hij een paar uur eerder een wonderbaarlijke vondst had genoteerd – en las: ‘Eekhoorntje op lange weg.’ Notitieboekjes vormen dus niet altijd de opmaat naar onsterfelijkheid.
Mijn opschrijfboekskes staan vol aantekeningen, uittreksels van boeken, citaten, kattebelletjes, woordvondsten, cryptische omschrijvingen - dubieus audiologisch centrum (17 letters)* - et cetera. Veel is inhoudelijk te mager om er een stukje over te schrijven, maar ook weer te aardig om er niets mee te doen. De oplossing? Verzamel er een paar en zet er ‘Gemengde berichten’ of ‘Opschrijfboekje’ boven. Zelfs Carmiggelt deed het in Het Parool op gezette tijden.
Neologismen
Neologismen zijn nieuwe woorden of uitdrukkingen. Van Kooten en De Bie hebben op dit punt hun onnavolgbare sporen in de Nederlandse taal achtergelaten. Zomaar een greep: bescheurkalender, stoned als een garnaal, vrije jongens, op hun pik getrapt, doemdenken, krommunicatie, geilneef, regelneef, en wel hierom.
In een van mijn opschrijfboekjes staan er twee van eigen makelij: als een fiscalist verstand heeft van belastingen, dan heeft een fecalist verstand van stront. En als een pedicure alles weet van voeten, dan zal het duidelijk zijn waar de kracht ligt van de penicure. Mooie vondsten, al zeg ik het zelf, maar zijn ze ook werkelijk nieuw? Google geeft het antwoord: de fecalist is één keer eerder voor het voetlicht getreden en wel in de gemeente Oldenzaal. Daar heeft de ‘kynologisch fecalist’ van de gemeente enige tijd geleden in een stampvol dorpshuis het gemeentelijk hondenpoepbeleid toegelicht. En ook de penicure is eerder gehanteerd, door de feministe Ariane Amsberg. Vrijwel alles is al bedacht, zo lijkt het.
Levenswandel
Prachtig proza over Carmiggelt in een column van Sylvia Witteman in de Volkskrant van 3 oktober 2009:
‘Geld maakt niet gelukkig. Dat heeft het met armoe gemeen’, zei de grote columnist Simon Carmiggelt eens. Hij verbraste zijn geld indertijd met toewijding aan wat hij zelf omschreef als ‘een onverstandige levenswandel’.Slimme Helmonder
Huisarts en oud-politicus Rob Oudkerk schreef in maart 2009 in Farmamagazine over tact:
Een man vraagt op de groenteafdeling van een supermarkt in Eindhoven om een half kropje sla. Een jonge bediende zegt hem dat ze alleen hele kroppen sla verkopen. Maar de man blijft maar aandringen en dus zegt de bediende dat hij het aan de filiaalchef zal vragen. Hij loopt zijn kantoortje binnen en zegt: “Een of andere malloot wil een halve krop sla kopen.” Terwijl hij zijn zin afmaakt, draait hij zich om en ziet hij de man achter zich in de deuropening staan, dus voegt hij er snel aan toe: “En deze meneer wil de andere helft.”Compact
De chef complimenteert hem even later met zijn tact. “Ik was onder de indruk van de manier waarop je je daar uitredde. Waar kom je eigenlijk vandaan?”
“Uit Helmond, meneer.”
“En waarom ben je daar weggegaan?”
“Je hebt daar alleen maar hoeren en ex-voetballers”, antwoordt de bediende.
“Zo. Mijn vrouw komt ook uit Helmond.”
“Echt?”, zegt de bediende. “Voor welke club heeft ze gespeeld?”
Geen compacter en ondoorgrondelijker taalgebruik dan dat in Engelse krantenkoppen. Vandaag, dinsdag 31 augustus, zag ik er weer een in de tabloid The Sun: ‘Craig: choose chan or bri to get boot’. Briljant, in het bijzonder dankzij de fijnzinnige alliteratie, maar voor het overige volslagen onbegrijpelijke wartaal. Ook Nederlandse journalisten kunnen er trouwens wat van. Neem die van enkele weken geleden na een zielige voetbalpot van de Rotterdammers: 'Feyenoord heeft geen ballen'.
* afluisterpraktijk
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Labels:
Amsberg Ariane,
Bie Wim de,
Carmiggelt Simon,
Eindhoven,
Farmamagazine,
fecalist,
Feyenoord,
Helmond,
Kooten Kees van,
Opschrijfbuukske,
Oudkerk Rob,
Parool,
penicure,
Volkskrant,
Witteman Sylvia
zondag 29 augustus 2010
Over SPQR, een heleboel zwendelaars en een opperkruimeldief
Overal in Rome komt men haar tegen: de afkorting ‘SPQR’. Op moderne gebouwen, maar ook uitgehouwen in eeuwenoude rotsblokken en marmer, op lantaarnpalen en uithangborden, op alle snuisterijen van de plaatselijke voetbalgrootmacht AS Roma en zelfs op de duizenden putdeksels van het lokale waterleidingbedrijf. Wat de afkorting betekent, weet vrijwel geen enkele niet-Italiaan. Zelfs de autochtonen moeten het antwoord maar al te vaak schuldig blijven. Da's mooi: heb ik zowaar ineens toch nog profijt van de Latijnse lessen van vroeger.

SPQR staat voor Senatus Populusque Romanus, oftewel ‘De Senaat en het Volk van Rome’. De afkorting is vermoedelijk enkele eeuwen voor Chr. in zwang gekomen en sedertdien te pas en te onpas gehanteerd, aangebracht, ingebrand en uitgehouwen. Vroeger deden de Romeinen dit om macht en eenheid uit te stralen, nu lijkt de afkorting meer de functie van een soort eigendomsbewijs te hebben: waag het niet, vreemdeling, u aan dit eigendom van ons te vergrijpen! Wat valt er anders te verwachten in een land dat door een notoire schuinsmarcheerder wordt geleid? Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, nietwaar? Het zal je als trotse natie immers maar gebeuren dat al die vreemdelingen een hoofdstedelijk putdeksel het vliegtuig binnensmokkelen en ermee vandoor gaan. Dat is uiteraard buitengemeen ongewenst en daarom moet het ons, vreemdelingen, overal worden ingepeperd. SPQR: met je tengels afblijven, is van ons.
Italië is voor de bourgondiër een eldorado, Rome de kers op de taart. Maar dat laat onverlet dat we de waarheid onder ogen moeten zien en vast moeten stellen dat het gros der Italianen het doen en laten van hun opperkruimeldief Berlusconi zeer ter harte heeft genomen. Ze bezwendelen je met alle soorten van genoegen en ze doen het waar je bijstaat. Maar ik voeg er meteen aan toe: het heeft best iets aardigs.
Je hebt je kont nog maar net op het doorgaans weinig comfortabel restaurantstoeltje laten zakken of zo’n gladde jongen van de bediening heeft al een mandje brood en een karafje leidingwater op tafel gezet. Alleen al met een vinger ernaar wijzen wordt genadeloos afgestraft: 5 euro voor de miezerige stukjes stokbrood en 7 euro voor het water. Denk je in de supermarkt een van die befaamde droge worsten te hebben gekocht, blijkt achteraf in de door een dikke schommel gratis en met veel charme - 'prego, signor, buon appetito!' - aangereikte plastic zak geen pepperoni maar een verlepte komkommer te zitten. En waar de bedelaar ineens zijn onderbenen vandaan haalt als hij rond etenstijd wordt opgepikt door een Mercedes, tsja, dat is ook zo’n raadsel dat naar alle waarschijnlijkheid pas in het hiernamaals zal worden onthuld.
Obelix wist het al: "Rare jongens, die Romeinen."

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl

SPQR staat voor Senatus Populusque Romanus, oftewel ‘De Senaat en het Volk van Rome’. De afkorting is vermoedelijk enkele eeuwen voor Chr. in zwang gekomen en sedertdien te pas en te onpas gehanteerd, aangebracht, ingebrand en uitgehouwen. Vroeger deden de Romeinen dit om macht en eenheid uit te stralen, nu lijkt de afkorting meer de functie van een soort eigendomsbewijs te hebben: waag het niet, vreemdeling, u aan dit eigendom van ons te vergrijpen! Wat valt er anders te verwachten in een land dat door een notoire schuinsmarcheerder wordt geleid? Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, nietwaar? Het zal je als trotse natie immers maar gebeuren dat al die vreemdelingen een hoofdstedelijk putdeksel het vliegtuig binnensmokkelen en ermee vandoor gaan. Dat is uiteraard buitengemeen ongewenst en daarom moet het ons, vreemdelingen, overal worden ingepeperd. SPQR: met je tengels afblijven, is van ons.
Je hebt je kont nog maar net op het doorgaans weinig comfortabel restaurantstoeltje laten zakken of zo’n gladde jongen van de bediening heeft al een mandje brood en een karafje leidingwater op tafel gezet. Alleen al met een vinger ernaar wijzen wordt genadeloos afgestraft: 5 euro voor de miezerige stukjes stokbrood en 7 euro voor het water. Denk je in de supermarkt een van die befaamde droge worsten te hebben gekocht, blijkt achteraf in de door een dikke schommel gratis en met veel charme - 'prego, signor, buon appetito!' - aangereikte plastic zak geen pepperoni maar een verlepte komkommer te zitten. En waar de bedelaar ineens zijn onderbenen vandaan haalt als hij rond etenstijd wordt opgepikt door een Mercedes, tsja, dat is ook zo’n raadsel dat naar alle waarschijnlijkheid pas in het hiernamaals zal worden onthuld.
Obelix wist het al: "Rare jongens, die Romeinen."

Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
zaterdag 21 augustus 2010
We gaan naar Rome
Over de vraag waar nu eigenlijk de roots liggen van onze beschaving kunnen historici eindeloos steggelen. Er zijn nogal wat kandidaten: de Chinezen, het oude India, de Mesopotamiërs, het Egypte van de farao’s, de Grieken, de Azteken en zelfs het legendarische Atlantis, waarvan het maar zeer de vraag is of het eigenlijk wel ooit heeft bestaan. Maar de werkelijke bakermat is toch buiten kijf het oude Rome.
De Romeinen kenden bijvoorbeeld efficiënte rioleringssystemen, hadden stromend (warm) water, toiletten, bibliotheken, ziekenhuizen, eminent onderwijs, stadions en theaters. De stad bracht schrijvers voort wier boeken de lezer nu nog boeien, dichters, filosofen, schilders en beeldhouwers, geneeskundigen, astronomen en wiskundigen. Aan de andere kant echter, want we moeten het beestje natuurlijk gewoon bij zijn naam noemen, hielden zij er óók megalomane denkbeelden op na, hadden een onnavolgbare obsessie voor seks & erotiek en waren ongelooflijk arrogant en heerszuchtig.
Er is in ruim tweeduizend jaar kortom niet veel veranderd. Berlusconi bijvoorbeeld, die wij allen kennen als een godverlaten pias die – als hij toevallig even niet bezig is met het breidelen van de pers, het vermeerderen van zijn toch al kolossale vermogen of het versieren van jonge meiden – zijn land met de neus in de wind en de pik vooruit naar de sodemieter helpt, zou zich prima staande hebben gehouden in het klassieke Rome.
Niettemin, waarde lezer, ligt in dat toen al volkomen verloederde en door weelde, krijgszucht, corruptie en losbandigheid gekenmerkte Rome de kiem van wat wij nu zijn, denken en doen.

Grafische voorstelling van Rome omstreeks het jaar 100 na Chr.
Linksboven het Colosseum
Uiteindelijk is het Romeinse Rijk aan zijn eigen decadentie ten onder gegaan. Wat zich daarna heeft voltrokken is ronduit verbijsterend: de mensheid kwam in de duistere Middeleeuwen terecht, een eeuwenlange periode van verval en ellende. Pas vanaf de zestiende eeuw, meer dan duizend jaar na de val van Rome, slaagden onze voorvaderen er langzaam maar zeker in weer op gelijke hoogte te komen met het beschavingsniveau van het Romeinse Rijk.
Krekwekdogt reist vandaag af naar Rome om zijn pennetje nog eens te scherpen. En zich te laven aan het verrukkelijke eten en de gloedvolle wijnen. Wat dat betreft zou hij zich in het oude Rome kostelijk hebben vermaakt, moeten we vrezen.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
De Romeinen kenden bijvoorbeeld efficiënte rioleringssystemen, hadden stromend (warm) water, toiletten, bibliotheken, ziekenhuizen, eminent onderwijs, stadions en theaters. De stad bracht schrijvers voort wier boeken de lezer nu nog boeien, dichters, filosofen, schilders en beeldhouwers, geneeskundigen, astronomen en wiskundigen. Aan de andere kant echter, want we moeten het beestje natuurlijk gewoon bij zijn naam noemen, hielden zij er óók megalomane denkbeelden op na, hadden een onnavolgbare obsessie voor seks & erotiek en waren ongelooflijk arrogant en heerszuchtig.
Er is in ruim tweeduizend jaar kortom niet veel veranderd. Berlusconi bijvoorbeeld, die wij allen kennen als een godverlaten pias die – als hij toevallig even niet bezig is met het breidelen van de pers, het vermeerderen van zijn toch al kolossale vermogen of het versieren van jonge meiden – zijn land met de neus in de wind en de pik vooruit naar de sodemieter helpt, zou zich prima staande hebben gehouden in het klassieke Rome.
Niettemin, waarde lezer, ligt in dat toen al volkomen verloederde en door weelde, krijgszucht, corruptie en losbandigheid gekenmerkte Rome de kiem van wat wij nu zijn, denken en doen.

Grafische voorstelling van Rome omstreeks het jaar 100 na Chr.
Linksboven het Colosseum
Uiteindelijk is het Romeinse Rijk aan zijn eigen decadentie ten onder gegaan. Wat zich daarna heeft voltrokken is ronduit verbijsterend: de mensheid kwam in de duistere Middeleeuwen terecht, een eeuwenlange periode van verval en ellende. Pas vanaf de zestiende eeuw, meer dan duizend jaar na de val van Rome, slaagden onze voorvaderen er langzaam maar zeker in weer op gelijke hoogte te komen met het beschavingsniveau van het Romeinse Rijk.
Krekwekdogt reist vandaag af naar Rome om zijn pennetje nog eens te scherpen. En zich te laven aan het verrukkelijke eten en de gloedvolle wijnen. Wat dat betreft zou hij zich in het oude Rome kostelijk hebben vermaakt, moeten we vrezen.
Reacties via onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
dinsdag 17 augustus 2010
Israel en Been
Na afloop van de smadelijke nederlaag tegen Excelsior was het in de kleedkamer van Feyenoord allesbehalve feest. Sterker nog: tussen oefenmeester Mario Been en verdediger Tim de Cler brandde een knallende ruzie los, omdat De Cler tijdens de donderpreek van Been met veel gevoel voor humor had opgemerkt dat hij eigenlijk best wel lekker had gespeeld.
De ruzie is inmiddels bijgelegd, las ik vanmorgen in de krant. Dan nog moeten we vaststellen dat Mario, de Rotterdamse volksjongen, tegen alle verwachtingen in helemaal geen vent man met humor is. Nooit geweest, trouwens. We gaan ter illustratie een kleine 25 jaar terug in de geschiedenis en treffen daar de Feyenoord-aanvaller Mario Been en diens oefenmeester Rinus Israel aan.
Israel, da's andere koek! Die had pas humor, van die onvervalste, snoeiharde Amsterdamse straatgein. Been kon de humor van zijn baas echter niet waarderen en kwam woorden te kort om de pers deelgenoot te maken van zijn ongenoegen. Hij voelde zich door zijn trainer doorlopend gekleineerd en was het beu om ieder keer opnieuw het pispaaltje van de selectie te zijn. Dat verwoordde hij ongeveer zo:
Reacties via het icoontje op onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
De ruzie is inmiddels bijgelegd, las ik vanmorgen in de krant. Dan nog moeten we vaststellen dat Mario, de Rotterdamse volksjongen, tegen alle verwachtingen in helemaal geen vent man met humor is. Nooit geweest, trouwens. We gaan ter illustratie een kleine 25 jaar terug in de geschiedenis en treffen daar de Feyenoord-aanvaller Mario Been en diens oefenmeester Rinus Israel aan.
Israel, da's andere koek! Die had pas humor, van die onvervalste, snoeiharde Amsterdamse straatgein. Been kon de humor van zijn baas echter niet waarderen en kwam woorden te kort om de pers deelgenoot te maken van zijn ongenoegen. Hij voelde zich door zijn trainer doorlopend gekleineerd en was het beu om ieder keer opnieuw het pispaaltje van de selectie te zijn. Dat verwoordde hij ongeveer zo:
‘Ik ren tijdens de wedstrijd langs de dug-out en roep: “Trainer, ik heb vocht in mijn knie!” Roept Israel keihard over het veld: “Ja, en in je hersens ook!” Ik mis voor open doel. Roept-ie: “Daar moet je geluk bij hebben!” Ik schiet over. Israel: “Heb je de dozen nog om je schoenen zitten?” Het komt mijn strot uit, ik heb het hier helemaal gehad, maar dan ook he-le-maal.’Een voortreffelijk trainer, die Been, daar niet van. Hij moest alleen eens wat vaker lachen.
Reacties via het icoontje op onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
vrijdag 6 augustus 2010
Stukske worst
De ene heette Bep, de andere Trees, letterlijk en figuurlijk dikke zestigers. Ze waren op Tilburg Centraal ingestapt en vanaf dat moment niet meer te stuiten. “Lijken wel twee kapelaans. Ge geeft ze op hoop van zegen een dubbeltje in en ge krijgt er voor een tientje gemiep voor terug”, merkte mijn buurman vermoeid op. Ze reutelden inderdaad onverdroten voort, in een wonderschoon archaïsch Brabants.
“Hoest naw meej oew, Trees?”
“Tis nie veul. Kwo kwies wèk hai.”
“Ge mist oewe Jaonus, zikker.”
“Bietje.”
“Of miste dè ding, ge wit wel.”
Er viel even een stilte. Het gesprek nam ineens een scabreuze wending. Wij luisterden ademloos toe.
“Dè zèk nie. Ge moet tege mèn nie meutele, verrekte prullerd dèggerdurbent.”
“Dan wik zat.”
“Wè zède toch unne golliepaop. Mar alleej dan, dè mis ik ôk, jao.”
“Gullie waart echte natuurliefhebbers, istnie?”
“Dè waare we, jao, mar daor schiek naauw niks meej op. Wè doekeraon?”
“ Aandere vent vatte.”
“Mar Bep, vur un stukske worst haolde toch gin hil vèrreke in hös?”
“Breda, eindpunt van deze trein”, schalde de stem van de conducteur. “U wordt hier allen verzocht vriendelijk uit te stappen.”
Ik ben vriendelijk uitgestapt.
Reacties via het icoontje op onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
“Hoest naw meej oew, Trees?”
“Tis nie veul. Kwo kwies wèk hai.”
“Ge mist oewe Jaonus, zikker.”
“Bietje.”
“Of miste dè ding, ge wit wel.”
Er viel even een stilte. Het gesprek nam ineens een scabreuze wending. Wij luisterden ademloos toe.
“Dè zèk nie. Ge moet tege mèn nie meutele, verrekte prullerd dèggerdurbent.”
“Dan wik zat.”
“Wè zède toch unne golliepaop. Mar alleej dan, dè mis ik ôk, jao.”
“Gullie waart echte natuurliefhebbers, istnie?”
“Dè waare we, jao, mar daor schiek naauw niks meej op. Wè doekeraon?”
“ Aandere vent vatte.”
“Mar Bep, vur un stukske worst haolde toch gin hil vèrreke in hös?”
“Breda, eindpunt van deze trein”, schalde de stem van de conducteur. “U wordt hier allen verzocht vriendelijk uit te stappen.”
Ik ben vriendelijk uitgestapt.
Reacties via het icoontje op onderstaande servicebalk of e-mailen naar krekwekdogt@hotmail.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)